Sintermeerten > Over SMC > Blog > Berichten > Verboden vruchten
april 14
Verboden vruchten

​Het thema van de afgelopen Boekenweek was 'Verboden Vruchten'. Dick Gebuys neemt ons mee in de wereld van Louis Paul Boon.

1. Aalst, stad van Boon…
Ik sta op het kerkhof van Aalst. In het gezelschap van een paar mensen van het Davidsfonds in Puurs, buurgemeente van Mechelen. De vorige avond heb ik een lezing mogen geven over het werk van Louis Paul Boon in hun woonplaats. Nu staan we aan zijn graf, vooraan op dit kerkhof. Een stukje verder ligt het graf van een familielid van Boon, dat ook verwant was aan de familie van Priester Adolf en journalist Pieter Daens.
Een van de Puurse gasten komt bij me staan. Hij wijst naar een gebouw aan de overkant van de weg.
“Kijk, Dick,” zegt hij. “Daar zat ik op internaat. In de jaren ’60. Toen Boon zijn grote jaren had, zeker bij jullie in Nederland. En ik wist hier in Aalst, niet dat die man bestond. Die was bij ons op school verboden. Dus die werd ook doodgezwegen. Dat vind ik nu met terugwerkende kracht verschrikkelijk, weet ge dat?!”

2. Verboden vruchten
Boon’s boeken waren dus voor katholieke jongeren verboden vruchten. Erger nog: zelfs als zijn boeken in de katholieke bibliotheken gestaan zouden hebben, dan zouden die jongeren er niet naar gevraagd hebben omdat de schrijver was buitengesloten uit hun literatuuronderwijs.
In deze Boekenweek van het thema ‘verboden vruchten’ denken wij bij zulke boeken en zulke passages uit boeken aan seks, erotiek, aan pornografie. Maar daarvan was bij Boon toen absoluut geen sprake. Toen hij in 1942 als debutant de Leo J. Krijnprijs won met ‘De voorstad groeit’, leverde datzelfde boek desalniettemin negatieve kritieken op uit de nazigezinde pers: Boon schreef te pessimistisch, zowel ten aanzien van de wereld als ten aanzien van de mensch <in het Aalsters dialect wordt die ‘sch’ echt uitgesproken!> in die wereld.
Het is deze zelfde kritiek die gevestigde schrijvers in Nederland na de oorlog ook hebben ten aanzien van bijvoorbeeld Gerard Kornelis van het Reve en Anna Blaman. Natuurlijk moet het voor de lezers in die tijd schokkend geweest zijn dat de laatste geen al te grote doekjes wond om haar liefde voor het eigen geslacht, dat zelfs haar pseudoniem daarheen tendeerde: ‘Ben liever als man’. Of dat de ik-persoon in Reve’s ‘Op weg naar het einde ‘ later zo geil geworden is op een loodgieter dat hij zichzelf met de herinnering aan die hemelse schoonheid bevredigt. Maar men viel vooral in de jaren ’50 over Reve’s sombere wereldbeeld in ‘De Avonden’. Zoals ook Paul Hardy daarover – niet minder verontwaardigd  als de oorlogspers – als recensent van de katholieke Gazet van Antwerpen ook na ’45 regelmatig viel bij Boon. Boon met zijn kritiek op kerk en burgerij. Boon die in ’46 zijn ‘Mijn kleine oorlog’ besloot met het venijnige ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’.

3. Schrijver, seismograaf die horizonten verlegt, grenzen openbreekt   
Boon schreef in zijn literaire kritieken in de communistische Rode Vaan, in het verzetsblad Front en in de Vlaamse Gids al over de taak van de schrijver een seismograaf te zijn, woelingen in de wereld te registreren en die voor de lezer in verhalen te vertalen. Maar een goede schrijver zoals hij was, verlegt voor ons lezers natuurlijk ook de horizon waarin we kijken. Maakt ons deel van een andere wereld die we nog niet kenden. Een schrijver breekt grenzen van de gevestigde orde en het gevestigde fatsoen open. Schopt tegen de muren van de macht aan. Een schrijver leert ons meer van onszelf begrijpen en leert ons zo met onze identiteit in die wereld waarin we leven om te gaan.
Maar de mannen en vrouwen van de macht willen vaak dit engagement van de schrijver helemaal niet. Vandaar deze botsingen tussen schrijvers en critici, tussen schrijvers en machthebbers. Tussen de vrijzinnig scribent en de puriteinse fatsoensrakker.

4. Jef Geeraerts 
Het is begin jaren ’90. Blandijnberg in Gent. Met leerlingen van VWO 5 heb ik opnieuw een gesprek met de Vlaamse schrijver Jef Geeraerts. Toen ik hem in de klas introduceerde, zei een meisje in de klas hardop en lachend tegen haar buurvrouw: “Dat is die man die al die negerinnen neukt!”
Zo begin ik ons gesprek vandaag. Met dit idee aan Jef over te brengen. Zonder het meisje met naam te noemen. Dat hoeft ook niet, want zij bekent luid lachend, nog harder dan toen in de klas ‘Oh, dat was ik!’
“Maar,” antwoordt Jef met een glimlach, “ik ben zes jaar in Congo geweest. Met hoeveel  vrouwen bedrijf ik de liefde nu helemaal in Black Venus? 12? Nu ja, dat is dus niet meer dan twee keer per jaar… dat is toch niet zoveel, zie je?”
Geeraerts kwam in opspraak met zijn boeken over Congo, over de zwarte vrouw, over de liefde tussen blank en zwart, over het koloniale optreden van de Belgen. Hij schopte tegen heel wat schenen met een krom geweten, maar hij schopte geniaal. En hij kreeg een Staatsprijs voor de Letteren, van de christendemocraat Frans van Mechelen, terwijl zijn boek door de socialist Vrankx verboden werd. Een geweldig literair werk, maar ook naar de fatsoensnormen van die tijd onzedelijk. En voor de koloniale erflaters van België (de ambtenaren, de missionarissen en de ondernemers) een boek dat hen natuurlijk abusievelijk schoffeerde. Jef mocht zowel wie hem bekritiseerde als wie hem de loftrompet blies, dankbaar zijn. Zij het onder de toonbanken van de boekhandels haalde de verkoop van zijn Black Venus-boek recordcijfers.

5. Jan Wolkers
Mijn ervaring met het andere geslacht ging niet veel verder dan de middenpagina van het enige blootblad van die tijd, de Lach. Vandaar dat ik heel veel leerde van Jan Wolkers en later van Jef Geeraerts. De laatste deed me ook van zwarte vrouwen houden en dat vond me heel verrijkend in een toen toch vrij verzuilde tijd waarin mensen heel erg in hun eigen groep opgesloten zaten.
Toen Wolkers ook film werd, werd hij veel meer gewoongoed in ons land. Ik herinner me dat mijn oom Tom en mijn tante Truus met veel plezier stukken uit ‘Turks Fruit’ voorlazen toen ze met ons op vakantie waren. En dat wij gezamenlijk op de Radetzki-mars de vader van Olga nazongen: ‘Tieten kont, tieten kont, tieten kont kont kont…”
Wie schetst dus mijn verbazing, dat ik op mijn eerste jaar op Sintermeerten (1979/1980 – het boek is van 1969, de film van 1973) boos gebeld werd door een moeder van een leerling uit Havo31. Ik deed toch wel erg gekke dingen?! Ik draaide een hele film die alleen maar over seks ging… dat moest ik met haar zoon erbij toch maar niet meer doen…

6. De oppervlakkige en de diepere betekenis  
Ik heb van Herman Pleij in de studie van de Middeleeuwse boeken al geleerd dat je onder het oppervlak van een tekst moet kijken. Dat je moet zien wat daaronder zit. Wat de diepere lagen en bedoelingen zijn.
Turks Fruit toont in de totaliteit van het verhaal, dat echte, oprechte liefde veel meer is dan seks alleen. En dat seks veel meer moet zijn, dan seks van en voor de man alleen. En dat was in 1969 een gedurfde boodschap, dat was het nog steeds in 1973 en dat mocht het ook in 1980 nog best zijn.
Dit geldt ook voor erotische boeken van Louis Paul Boon als ‘Zomerdagdroom’ en ‘Eros en de Eenzame man'. Waarom is seksualiteit in onze samenleving nog steeds zo’n probleem? Komt dat door die schrijvers die er open en bloot over schrijven? Of komt dat door die mensen die er liever over laten zwijgen? En door die machthebbers die het liever toedekken om de boel rustig te houden?

7. De taak van de schrijver
Een schrijver schrijft over wat hem bezighoudt, over wat hij waarneemt, waarover hij schrijven moet.
Jack Kerouac schreef over mannen ‘on the road’ in the States eind jaren ’40. Over een losgeslagen groep jongeren, verlangend naar onbeteugelde vrijheid, maar daarin ver over de schreef glijdend. Kristien Hemmerechts betoogt vele jaren later dat we zulke boeken beter zouden doodzwijgen, omdat ze met hun kijk op en omgang met vrouwen erg vrouwonvriendelijk zijn?
Ik vind dat grote bullshit, mensen. Boeken zijn dan opnieuw seismografen. Ze registreren. Als wij niet weten wat er onder mensen leeft, wat er onder de deken van de dagelijke schijn en hypocrisie borrelt, zouden we ook niet weten dat we daar iets aan moeten proberen te doen.

Schrijvers schrijven over wat er leeft onder terroristen, van welke kant die ook komen. Zoals Tommy Wieringa dat nu gedaan heeft, maar wat al veel eerder gedaan werd door Yasmina Khadra of – in zekere zin - door Fikry El Azzouzi. Schrijvers als Eric-Emmanuel Schmidt  of Natascha van Weezel schrijven over het schuren langs elkaar van de diverse culturen in onze wereld. Of als Rodaan Al-Ghalidi of Amélie Nothomb duiken ze in de rafelranden van onze wereld. Salman Rushdie valt die ontsporingen van islamitisch geloofsdenken aan in ‘The Satanic Verses’. Zouden zij dit niet mogen doen, omwille van onze veiligheid? Ik denk veel eerder dat zij dat moeten doen, ook omwille van die veiligheid.

8. Nieuwe preutsheid, veranderde normen     
Goede schrijvers zijn natuurlijk ook provocateurs. Laten we hen net daarom dankbaar zijn. Toen Louis Paul Boon katholiek Vlaanderen aan zijn voeten had liggen, met ‘Pieter Daens’, ging hij juist weer op hún tenen staan met ‘Mieke Maaikes obscene jeugd’.
Leven we nu in een tijd dat er veel meer kan dan toen? Ik denk het niet. Ik heb boven al enkele gevaren van moderne preutsheid aangestipt. Ik zou kunnen vertellen hoe leerlingen nu de klas verlaten om hun neus te snuiten, hoe ik me om moet draaien met het gezicht naar de muur om dat ook te kunnen doen, we kennen de verhalen van het douchen met zwembroek of onderbroek aan.
Ik wil met mijn laatste voorbeeld zover gaan, dat ik misschien ook wel op uw tenen stap.
De drie mensen tussen muren, verlaten in de gelijknamige, kleine linosneden-novelle van Boon de gevangenis en komen daarbuiten een klein, lief meisje tegen. Een klein lief onschuldig meisje, dat de harten van die drie die zolang niemand anders ontmoet hebben, sneller doet kloppen. Drie mannen die vanaf het moment van hun vrijlating omringd zijn door de mensen uit de buurt, met hun dorpsroddel, achterklap en gifspuiterij. Die muren optrekken. Drie mannen die zolang geen tederheid, geen geluk ontmoet hebben. Zodat ze meteen al ruzie krijgen nu ze hier een klein beetje van gaan voelen.
“Zorg, kommer en ellende, dat is voor allen samen, dat moeten velen samen dragen. Vrede, echter en geluk, dat wilt ge alleen bezitten.”
Het meisje, dit pure, lieve meisje, is hen teveel… en ze vermoorden haar. Om de vrede onder hen te bewaren. Om de zuiverheid voor haar te bewaren… Om haar niet ook het slachtoffer te laten worden van de mensen om haar heen met hun roddel, achterklap en gifspuiterij. Die hun muren optrekken in de smalle straat waarin ze zich terugtrekken.
Zou dit boek nog kunnen in deze tijd?
Kunnen vreemde volwassen mensen nog zulke, zuivere gevoelens dragen voor kinderen?
Is een schrijver die zoiets durft te schrijven nu niet in de ogen van de mensen om hem heen op een heel fout pad beland?
Ik heb dit stuk met leerlingen gespeeld. Hier in Heerlen, op een Boon-festival in Tilburg. Ik heb er een zaal stil van horen worden. Ik heb er veel complimenten voor gekregen.
Maar zou ik het nu nog kunnen doen?

9. Lezen of lezen
Het grote publiek riep uiteindelijk bij Boon, bij Geeraerts, bij Rushdie en al die anderen: “Mooi, mooi, mooi!“ Mooie boeken waren het en ze legden ze op de salontafel en keken er niet meer in.
Doe meer met die regels, die woorden, die boodschappen mensen. Kruip achter die woorden, ontvang de boodschappen, laat ze door je hoofd bewegen, begrijp wat er allemaal in deze wereld kan spelen en leer ervan. Word er meer mens door. Mens tussen de mensen. Zonder muren op te trekken. En word dus mens omringd door verboden vruchten die zo heerlijk fris kunnen smaken.
Dick Gebuys


Opmerkingen

Er zijn geen opmerkingen bij dit bericht.