Sintermeerten > Over SMC > Blog
Blog Sintermeertencollege
juli 12
Camilla Läckberg in Antwerpen I

​Vorig jaar -op 8 mei- was Camilla Läckberg te gast bij de Standaard Boekhandel België (met medewerking van de uitgever Veen, Bosch en Keuning Belgium (VBK) – waaronder ook imprints vallen als Ambo en Anthos) , in het Zalencentrum bij Hotel Elzenveld  in Antwerpen.Läckberg is meermaals om haar werk bekroond: in 2005 was zij de Zweedse schrijver van het jaar, in 2006 kreeg haar laatstverschenen boek de publieksprijs en in 2011 was zij de best verkochte Zweedse schrijver. In Nederland en Vlaanderen samen werden tot nog toe 550.000 exemplaren verkocht van haar in onze taal vertaalde boeken. En vanavond komt daar weer een honderdtal bij! 
Er hangt in de sfeervolle zaal een gezellige spanning, voor de schrijfster opkomt. Achter me praten twee vrouwen op hun eigen manier over de boeken die zij van de schrijfster gelezen hebben. Over hoe de films heel anders zijn die van Läckbergs boeken gemaakt worden. Dat die voor de vrouw die het vertelt en die kennelijk ook het meest van de schrijfster weet, weinig met die boeken te maken hebben.
- Wat geschreven is, is veel mooier!
En dan gaat het over misdaadromans op zich. Dat je die in Vlaanderen ook hebt, maar dat dit heel andere misdaadromans zijn, omdat nu eenmaal…
Het wordt niet helemaal uitgesproken, zoals veel in dit gesprek niet helemaal uitgesproken wordt. Nou ja, soms toch…
- Ze heeft economie gestudeerd hè… en ze schijnt er erg goed in te zijn haar boeken te promoten. Dat zie je wel…
Ik lees al heel lang als ik zin in ontspanning heb misdaadromans. Dat begon al in mijn jeugd, met boeken van Francis Durbridge over Paul Vlaanderen of van Leslie Charteris, over Th Saint en van Georges Simenon over Commissaris Maigret. Later werd ik fan van Jef Geeraerts met zijn heel eigen stijl van misdaadroman, beginnen met Kodiak.58. En nu zijn het Luc Deflo, Arnaldur Indridason en Camilla Läckberg, die ik in ieder nieuw boek dat ze schrijven probeer bij te houden. Misdaadroman kunnen nog zo gruwelijk zijn in de misdaad die of in het plot dat ze beschrijven, ze bieden mij als lezer ook een heerlijk moment van relax.
Als een misdaadroman gewone mensen presenteert in een buitengewone situatie, dan geldt dit zeker voor de hoofdpersonen bij Camilla Läckberg – de rechercheur Patrik Hedström en de schrijfster Erica Falck. Leuk om haar daar vanavond eens zelf over te horen, moderator is John Vervoort, die regelmatig misdaadromans bespreekt voor de Standaard. Of hij ook het werk van Läckberg goed kent, zal mij vanavond niet duidelijk worden, meestal bespreekt hij een aspect van een boek aan de hand van de flaptekst. Tenminste, hij pakt dan een boek erbij en werpt daar een blik op, op die achterflap. Leerlingen die bij mij hun mondeling examen literatuur erg slecht voorbereiden komen voor veel boeken ook niet veel verder…

Camilla Läckberg werd geboren in Fjallbäcka, in het noordwesten van Zweden. Fjallbäcka hoort tot de gemeente Tanum, waarvan Tanumshede de hoofdplaats is. Deze stadjes liggen in het landschap van Bohuslän. Fjallbäcka is ook het stadje waar of waaromheen zich de boeken met Patrik en Erica zich afspelen. Het is een mooi, leuk stadje volgens de schrijfster, met 1000 inwoners. Ze heeft er nog familie wonen, neven en nichten en bracht er 17 jaar van haar leven door.
-           Dat was een traditioneel, veilig leven. Het was dus fijn te mogen opgroeien. Iedereen kende er iedereen. Je kon er van 8 tot 8 buiten zijn, want je voelde je als kind erg veilig. Maar als teenager vond ik het nìet leuk meer. Toen wou ik er weg.
-          Ik had dus een veilige, misschien ietwat saaie jeugd. Op mijn 7e las ik Agatha Christie, op mijn 10e Edgar Allan Poe. Misschien zouden mensen mij nu in verband met die boeken eng vinden… met 2 ex-mannen… Maar goed, ze leven nog… Zou ik ze in de tuin kunnen begraven? Nee, dat zou teveel opvallen…
-          Nu is daar een Camilla Läckberg wandeling in Fjallbäcka. Ik ben eens met één van die wandelingen meegegaan. Lasse – mijn vroegere zeilleraar – was de gids. Op een bepaald moment vertelde hij waar in één van de boeken het lijk had gelegen. Ik was het niet met hem eens, ik wees aan waar dat lijk volgens mij had gelegen. Maar hij bleef bij zijn plek voor het lijk… Ik zeg toen: maar ik ben de schrijfster, zou ik dan niet weten waar dat lijk lag?
Maar hoe vinden ze dat dan, in dat stadje? Is het een waar beeld dat haar boeken geven? Is het niet te negatief?
-          Ze zijn gek op mijn boeken. Ik breng nu mensen uit de hele wereld in Fjallbäcka. Ik krijg zelfs mails met tips als: “Bij mij in de tuin kan nog wel een lijk…”
Haar moeder woont er nog.
-      Mijn moeder is een bijzonder type. Ze is nu met pensioen en ze heeft dus tijd over. Soms zijn er dan mensen die komen bij de dienst voor toerisme en vragen: “Is Camilla daar?”. “Nee,” wordt er dan geantwoord, “maar we kunnen haar moeder bellen…” Ze is trots op het werk van haar dochter.
Camilla heeft altijd erg graag geschreven.
-      Mijn eerste verhaal schreef ik toen ik 5 jaar was. Ik was al vroeg gegrepen door de donkere kant van de mens, door de misdaad. Mijn vader en moeder hielpen me in die tijd met het opschrijven van mijn verhaaltjes. Mijn eerste boek Santa (= Santa Claus) schreef ik toen ik 5 jaar was. Het waren vier bladzijden, met een oranje kaft. Het ging over Santa Claus en een vrouw en het begon vrij gelukkig, maar vier bladzijden verder lag er ineens een vrouw dood op de vloer. Inderdaad, die fascinatie begon dus vroeg. Mijn leeftijdgenoten waren met heel andere dingen bezig…
-      Wij hebben in Scandinavië lange, strenge winters. Misschien staan we daardoor wel extra open voor misdaadverhalen. Sjöwall en Wahlöo is immers ook hier ontstaan. Ik vond het vroeger heerlijk om die boeken te lezen. Je kunt het vergelijken met onze grote tennisspelers, die komen misschien ook wel door die lange winters… hoe kan het anders dat hier spelers als Björn Borg en Thomas Edberg vandaan komen. 
Maar toch ging Camilla niet meteen iets met schrijven doen, ze ging economie studeren:
- Ik vroeg me af, of je van het boeken schrijven wel kon leven. Dus begon ik maar aan een van de vervelendste studies – ik ga vanavond iedereen hier beledigen, ik weet het. Want daar kon je wel een goede baan mee vinden. Maar al gaf die studie me alle kennis van de economie van Zweden en van Europa, zij gaf me het meest ongelukkige gevoel dat ik ooit gehad had.
-    Een vriendin en haar man schreven me toen in voor een cursus schrijven en daar kwam de IJsprinses uit voort
Wat was het idee achter dat boek?
- Het idee was – zoals vaak bij mij – een foto, een beeld, een moment. Een vrouw die in het ijs in een badkuip lag…
- Die schrijfcursus had bij mij een opwinding losgemaakt en een energie opgeroepen, die moeilijk meer in te tomen bleek. Maar om echt tot een versie van mijn eerste boek te komen, dat ik geschikt vond voor uitgave, was wel een marteling. Het deed me vooral wat mijn zelfvertrouwen betreft in een crisis belanden. Bovendien vond dit tegelijk plaats met de zwangerschap van mijn eerste kind, Wille – hij is nu bijna dertien.
- Ik had het boek voor wat mij betreft af in de week van de bevalling. Toen kon ik het insturen. Dat boek toen in de brievenbus stoppen was voor mij een hele rituele handeling… Dat gebeurde in de zomer van 2002… dit was het moment waar alles om draaide: nu zou ik mijn jeugddroom kunnen verwezenlijken of ik zou hem moeten opgeven…
- Ik kreeg toen een heel snelle reactie van een kleine uitgever waar ik het boek ook naartoe had gestuurd. En vijf dagen later had ik een zoon. Maar ik weet niet waar ik meer verheugd over was: want ik had ook een eigen ISNB-nummer…Dat besef maakte zo’n ongelofelijke indruk op me…
- Mijn eerste druk kreeg 3000 exemplaren. Dat betekende een goed debuut. Maar ja, ik wilde ervan kunnen leven. Ik besefte dat ik een literair agent nodig had om dat te bereiken… Ik was niet goed genoeg in het verkopen van mezelf, met een agent zou dat beter lukken. Dus ik vroeg toen de agent van Lisa Marklund of hij ook mijn agent zou willen zijn. En dat betekende eigenlijk de werkelijke start van mijn carrière. Van mijn tweede boek verkocht ik 30.000 exemplaren in de eerste druk. Van mijn derde 60.000, van mijn vierde 100.000 en nu bedraagt een eerste druk 300.000 exemplaren. Mijn werk wordt in 55 landen verkocht en het is in 37 talen vertaald. Ook in Zuid-Korea en Japan haal ik vast het onderste in de mensen naar boven, want ook daar zijn de reacties enthousiast. Ik heb inmiddels een garage vol met mijn boeken, ook de vertaalde versies ervan.
- Steenhouwer werd ook vertaald in het Pools en het Fins… ik verbaas me dan over het verschil in dikte tussen die boeken en de Zweedse versie. Ik denk dan: waar blijven die bladzijdes in de vertaling van de ene naar de andere taal?
- Toch zijn de verschillen niet zo groot hoor, als je de opmerkingen in Zuid-Korea over de rol van de plaats Fjallbäcka neemt, dan zijn de commentaren niet anders dan die hier. En de vragen ook.
De moderator heeft weer een erg relevante vraag bedacht, zonder vingerwijzing op de achterflap.
“Had je ooit een Nederlands vriendje?”
- Nee, maar ik weet wel hoe je “Ik hou van jou” zegt…
“In de IJsprinses wordt dus dat lijk in de badkuip gevonden… hoe is het om daarover te schrijven”?
- Het verhaal eist soms nu eenmaal weerzinwekkende dingen van je. Maar mij fascineren die ook…
“Wat staat er allemaal op het lijstje van dingen die je nog wilt doen?”
- Ik wil nog naar Hawaii, naar één van de bodyfarms die de FBI heeft. Waar je op een wetenschappelijke wijze lijken leert bestuderen en identificeren. Daar is een heel team aan forensische specialisten die expert zijn in de studie van lijken.
“Waar liggen je grenzen van wat je wel en niet wilt in je boeken?”
       -     Ik wil niet veel kinderen in mijn verhalen als slachtoffer. Want ik heb ook de grootste
             angst voor mijn eigen kinderen, dat hun iets zal kunnen overkomen. En seks wil ik ook
             niet, want mijn moeder leest mijn boeken. Mijn vriendin schrijft van die chicklit-
             boeken. En haar stiefmoeder schrapt de bladzijden met seks uit die boeken, voordat 
             haar vader ze leest. Dan heb ik liever een mooie moord in mijn romans…

“Heb je ook een boodschap in wat je schrijft, voor de samenleving of voor de politiek?”
       -     Ik vind dat schrijvers dat in Zweden een beetje teveel moesten hebben, en daar doe
             ik dus niet aan mee. Het kan best zijn dat er een bedoeling verstopt zit in mij boeken,
             maar daar gaat het me niet om. Voor mij is het vermaken van de lezer genoeg. 
       -     Ik heb natuurlijk wel persoonlijke ideeën, ik heb ook mijn kijk op de wereld, die ik in
             mijn boeken verwerk, maar het is aan de lezer om uit te maken wat ze daar mee
             doen. Ik heb daar geen verborgen agenda mee…
Dick Gebuys

juni 21
Roger Moreno en de lange reis

​-    Ja ik noem hem altijd Roger, maar eigenlijk heet hij als Sinti Roser… Hoe je dat schrijft, weet ik ook niet precies. Cor Bekker van Herberg de Pintelier en ik werken aan een volgend programma in zijn zaak. Op gezellige avonden heeft Cor in zijn vroegere restaurantje op het OL-Vrouweplein in Maastricht vaak met Roger Moreno gewerkt. Roger is een Sinto. Voor de gemiddelde Nederlander: Roger is zigeuner. Roger maakt de muziek die mensen willen. Die past bij de avond die er is. Want met zijn accordeon kan hij, met zijn zuivere muzikaal gehoor, alle kanten uit.

Die ochtenden in de Pintelier, ‘Voerendaal op Zondag’ met deelname van Roger en zijn buikorgel, zijn het begin van onze kennismaking. Dat is nu alweer vele jaren geleden. En het is altijd door de sfeer die hij mee brengt, een beetje feest om met hem te werken.

Voor de beste sfeer hoort daar een mooie vrouwenstem bij. Jarenlang was dat de Poolse Barbara. Opgevoed in een erg anti-Zigeuner wereld, maar toch met hem op pad, door Europa. Met haar wat hese, wat melancholieke stem, die herinneringen opriep aan de jaren ’30, aan Zarah Leader en de Berlijnse cabarets van die dagen. En ook in Sinti-liedjes, in Sinti-taal. Later werd zijn partner – ook op de bühne – Pyroschka, uit Stolberg. Een echte Sinto, met een frisse, vrolijke vertolking van de oude en nieuwe liederen. Met soms dan nog een viool erbij, een gitaar en natuurlijk altijd Janusch Hallema, op bas.

Ze stonden zo vaker in De Pintelier, ik nam hen mee naar het Theater in Landgraaf, naar de Pauluskerk in Rotterdam, naar Theater Lexor in Heerlen. Kortom, ik nam hen mee op een hele reis door het land. Zoals Roger in die tijd een programma had gemaakt, over de lange reis die de Sinti en Roma met hun instrumenten over de wereld had gevoerd, door de hele geschiedenis van de muziek. Vanuit het verre India, via twee onderscheiden lijnen om vervolgens vanuit het Oosten en het Zuiden Europa in te trekken. De Sinti via Egypte en de Magreb-landen in 1300, 1400 naar Spanje om vandaar naar het Westen van Europa te gaan, de Roma via Roemenië en Bulgarije om vele jaren later in onze gebieden te belanden. Toen nog zoals de traditie dat vroeg: met het paard, de wagen en de hele familie.
Natuurlijk kende ik ook de andere kijk op deze mensen.
Ik was ooit bij Martin Mooij van Poetry International, in Capelle-Schollevaar. Wat werd daar in die buurt toen gezegd?
- Ramen en deuren dicht, er zijn zigeuners gesignaleerd!
Ik zag op televisie de opschudding die ‘Zigeunerkoning’ Koko Petalo telkens weer in de media wist te veroorzaken. Ik las in de krant over de problemen rond de rekeningen voor het slijpen door hem van scharen en messen.

En ik merkte hoe vrienden en bekenden reageerden als Roger een etablissement binnen kwam, zonder accordeon.
Het is een maandagmiddag. Herberg de Pintelier. 5 uur. Tijd om bij elkaar te komen, zoals ik iedere maandag al lang doe, met een stamtafeltje van twee, drie vrienden. Maar ik had Roger ook gevraagd. Om vijf uur kwam hij binnen. Die vrienden iets later. Roger en ik zaten aan de echte Stammtisch waar we iedere maandag rond plaatsnamen. Die vrienden gingen nu aan de bar zitten. Af en toe schuin en scheef omkijkend naar ons.
- Ja, we wilden jullie niet storen…
Ons storen bij het drinken van een glas bier?
Was het omdat Roger zijn accordeon niet droeg, at hij nu als een soort potentiële zakkenroller werd gezien? Diezelfde mensen die gisteren nog breed lachend en druk kletsend bij hem hadden gestaan konden er nu nog maar net toe komen hun hand naar hem op te steken.
dWát was dat?
Hem wel vertrouwen in die eeuwenoude rol van muzikant. Maar niet gewoon, als gezelschap?
Hoe kon dat?
Die op het oog zo gewone mensen, waar niets op leek aan te merken?!

Ik heb me vaak afgevraagd wat nu in diepste zin het probleem kan zijn dat de maatschappij met Sinti en Roma heeft. Ik denk dat het komt door het probleem dat zij al direct met onze maatschappij hebben. Het is die van hen niet. De regels waaraan die samenleving hen onderwerpt zijn die van hen niet, komen niet uit hun cultuur, dwingen het in een positie die ze niet willen.
Die twee werelden botsen al eeuwen met elkaar en zullen vast ook blijven botsen. En dan accepteren we uit een soort zucht naar romantiek en exotisme wel hun muziek, maar niet het feit dat zij anders naar de werkelijkheid kijken. Het is toch immers ónze werkelijkheid?! Dus is die kijk van hen niet zomaar anders, nee die is minder ontwikkeld. Derhalve moeten zij inburgeren, zich aanpassen, assimileren.

En daar willen we ver in gaan, in die druk tot assimileren, in het afnemen van de eigen cultuur. In het verbod tot rondtrekken, in het ter illustratie daarvan vastschroeven van de woonwagens aan een betonnen vloer. In het ons onttrekken aan iedere dialoog.
Ja goed, er kwam een Instituut voor Roma en Sinti, dat moest werken aan het eerherstel van oorlogsgetroffenen aan hun kant. Maar dat werd natuurlijk bemand door niet-Roma en niet-Sinti. Want wie kon nou denken dat zij over zichzelf en hun eigen lot zouden kunnen nadenken?! Met hun mooiste masker van idealisme en menslievendheid opgezet, gaven PvdA-prominenten Joop Worell en Hans Ouwerkerk vanuit dit inmiddels door henzelf opgeheven instituut een mooie uitleg van wat die kreet ook alweer betekent ‘Links lullen, rechts vullen’. Nee, waar en hoe dat geld besteed moest worden, dat konden de mannen aan het roer goed bedenken hoor… Verantwoorde geldbesteding, snap je…
Ik citeer een bron van internet: “In twee jaar tijd gaf het NISR zo'n 2,5 miljoen euro uit, zegt de journalist. "Het geld ging naar bestuurskosten, huur, vergoedingen, communicatieprojecten en ook culturele en onderwijsprojecten." Voorzitter Worrell gunde volgens deze journalist Rijken zijn schoonzoon communicatieklussen voor het NISR ter waarde van ruim 57.000 euro.” Maar natuurlijk was dit alles absoluut verantwoord, dat snapt u hopelijk toch ook wel?!

Het kan nog erger hoor, die maatschappelijke druk van de meerderheidscultuur om al het eigene van je af te leggen. Wie wil weten hoeveel erger, moet maar naar ‘Kinder der Landstrasse’ kijken. Tussen 1926 en 1973, werden in Zwitserland kinderen van ‘zigeuners’ bij hun ouders weggehaald. De einddoelstelling van die deportatiepolitiek was klip en klaar, om dat rondtrekkende en in woonwagens wonende ‘zigeunervolk’ als minderheid te doen verdwijnen. De families werden kapot gemaakt, het werd hun onmogelijk gemaakt om op de oude, van hun voorouders geleerde manier te leven, de kinderen werden dus vaak bij andere ouders in bewaring gegeven, mensen werden in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst en mannen werden gedwongen zich te laten steriliseren.
En dat stelen van kinderen van hun ouders, gebeurde natuurlijk steeds 'met de beste bedoeling’, met andere woorden voor het heil van de jeugd oftewel ‘pro juventute’.
 
Roger Moreno werkt op dit moment aan een opera geïnspireerd op het verhaal van die film van Urs Egger, naar een draaiboek van Johannes Bösiger. Roger verkeerde jarenlang in het ongewisse over zijn  Sinti-afkomst. Pas na het zien van deze film, die op hem een verpletterende indruk maakte, begon hij te beseffen met welk doel zijn moeder dit geheim wellicht gedragen had.

Requiem voor Auschwitz
Samen met Zoni Weisz in Auschwitz
aan die plas
regendruppels uit vele jaren neergedruppeld.
De herinneringen aan wie hebben ze daar achtergelaten?
De levens van wie schuilen in dat water?
Al die levens van Roma en Sinti,
weggestopt in het lekke geheugen van Europa,
verborgen in de verminkte geschiedenis van de oorlog.

De Holocaust die het Nazi-bewind in Duitsland op de Sinti en Roma uitvoerde was natuurlijk nog  vele graden erger. Dit was niet alleen psychische, mentale moord, dit was echte, brute moord die in een dagelijkse praktijk werd omgezet.
Op 3 mei 2012, zie ik op tv de documentaire ‘De vergeten Holocaust’. Ik zie Roger met Zoni Weisz in Auschwitz. Ik zie hen samen bij een plas staan. Die plas achterin het kamp, op de bodem waarvan alle as ligt van alle vermoorde gevangenen. Ze kijken beiden hoe die plas de onthutsende werkelijkheid van toen weerspiegelt. Zoni heeft de Holocaust overleefd, Zoni sprak in de Duitse Bondsdag. Roger heeft nu na een lange strijd, zijn getuigenis van de massamoord op Sinti, Roma, Joden en alle andere slachtoffers van de nazi’s en hun trawanten af. Zijn ‘Requiem voor Auschwitz’.
Ik herinner me mijn eigen bezoek aan Auschwitz en Auschwitz-Birkenau. De onthutste aanblik van die idiote spreuk op de poort ‘Arbeit macht frei’. Die navrant aanvoelende serene rust op het terrein. De verstokte ademhaling bij het betreden van de gaskamer. Het verdriet en de boosheid bij de aanblik van die gestolen haren, gebitten, menselijke dingen in een onmenselijke situatie…
Het onbegrip van mij dat mijn vrouw toen niet verder wou lopen. Niet verder kon lopen. Haar boosheid en verdriet dat ik haar niet begreep.

Roger zet al die ellende en die pijn van toen, die rouw en dat collectieve verdriet van zoveel later om in een schitterende compositie. Het deed mij heel veel, om hem bij de première ervan te mogen zien zitten. Weet je wat gek is? In mijn herinnering zie ik hem zitten  naast onze koninklijke familie, Naast Koningin Beatrix. Bescheiden zoals ik hem ken, maar ook heel duidelijk trots. En dat was ik ook, trots op hem. Maar hij zat helemaal niet naast Beatrix… Die was er niet! En hij was vooral ontroerd… Zo zie je hoe gevoelens en gedachten je geheugen kunnen inkleuren.
Jij hebt ze in ere hersteld,
een monument gegeven.
In muziek heb je hun naam laten weerklinken.
Daar in de Nieuwe Kerk in Amsterdam,
op 4 mei 2012,
in het hart van het land,
ook hun land,
stonden Roma en Sinti,
terecht trots op wie ze waren,
op wie ze waren geweest.
Door die onvergetelijke klanken
van die ene Sinto,
die jongen uit het kamp in Vaals,
die hiermee zelf zijn hele lange reis
had voltooid. 

Dies Irae. De toorn die de ene mens in de kop kreeg en waarmee hij de andere afslachtte. De toorn om wat die mens aan kwaads vermag te doen. Wie in Auschwitz rondloopt voelt angst. Angst voor de gesel der geschiedenis. Voor de brute waarheid over de gruwelen die de mens de mens kan aandoen. Angst om alles wat de waarheid brengt, openbaart, losmaakt.
Misschien was het ook die angst die mijn vrouw toen voelde.
Roger brengt een eresaluut aan allen die omkwamen in de Holocaust. Hij doet ons ook terugdenken aan de opstand van de Roma en Sinti in Auschwitz. De Nederlandse Sinti en Roma arriveerden in het kamp op 21 mei 1944. In de zomer kwamen er een half miljoen Joden uit Hongarije bij. Er ontstond ruimtegebrek. De Roma en Sinti kwamen in opstand, maar die opstand werd verraden en door de Duitse nazi-beulen de kop ingedrukt. De Roma en Sinti die nog leken te kunnen werken, werden naar munitiefabrieken gedeporteerd. In de nacht van 1 op 2 augustus werden de overige 3000 vergast, onder wie de 213 Nederlandse volksgenoten. Eén van hen was Settela Steinbach, het meisje in de trein, dat we kennen om de foutieve aanduiding “Joods meisje op weg naar de vernietigingskampen.”  
Roger toont de overlevingskracht van zijn volk. Tegen alle onderdrukking in. Tegen die eeuwige onderdrukking in. Om uiteindelijk echt bevrijd te worden: libera me.
Maar Roger temt met zijn muziek ook die angst die we voelen. Bj deze gruwelijke herinnering. Maar ook in het onrustige heden. Hij leert ons die angst te vertalen in hoop. Hij hoopt dat wij voortaan beter zullen weten. Om met zijn allen in volle vrijheid te kunnen leven. In echte libertate.
Dick Gebuys

juni 15
Trip to Berlin

​Day 4
Today, we went back to the school to finish our presentation about energy and eventually present it. After that we got the task we got the task to note the pros and cons of the school task. When that was finished we got some vanilla icecream and we had to wait for about 1 and a half hours because the teachers evaluating the process. When they were finally done we went to the metro stations and on our way to the hotel we made a quick stop at Checkpoint Charlie, followed by free time for the rest of the day.
Giuliano, Gies, Wiebe

All photos can be found in our Facebook album>

Day 3
Today we went to the German school to work on the project. We decided to make a presentation so we did some research. After that we went to the Berlin wall. It was quite interesting to see the wall in real life. We got lots of information about the building of the wall and the dangers surrounding it.
Luuk

Day 2
We were asked to write about some highlights of day 2. First of al we would like to start with how the day started. We had breakfast at 7.15, which was very early. After, we went to meet the kids from the German school and together we went to a brown coal mining site. It was an adventure to walk on the machine, some thought it was scary and some found it amazing. When we finished walking we had a little picknick and went back to the hotel and got some free time to eat or to explore the city. It was a lovely and adventurous day.
Bo, Demy, Fenne, Zia, Ilona and Soraya

Day 1
In the afternoon, we went on a small trip around Berlin. Mister Theunissen led us around the city and told us some interesting things about certain places and their history. In the evening, we went to the Reichstag. We got to see the architecture on the outside and on the inside, as well as the old walls and writings that were kept in between the modern parts. We also went on top of the Reichstag to see the buildings that lay around and to walk up to the top of the dome of the Reichstag.
Jenna

mei 29
Bij de dood van Joyce Bloem

Het was in het ABP-Gebouw in Heerlen dat ik het beeldend werk van Joyce Bloem leerde kennen. Op een plek in de stad waar zij in 1951 ter wereld was gekomen. Daar tegen het decor van gamelan-muziek genoot ik van kunst die mij uit mijn comfort-zone haalde. Al bestond dat woord toen geloof ik nog niet.
Het was ook toen dat ik Joyce pas een beetje echt leerde kennen: een bijzondere vrouw die midden in de wereld stond, in de wereld vol culturen en ideeën waarvan zij vooral de rijkdom wou proeven. Haar Indische roots waaruit ze putte – de wereld van haar vader, haar moeder, haar voorouders, van het Indische verhaal, het Gelderse Rivierenland waar ze haar atelier had – de ruimtelijke vlakken, de landschappen, het eeuwig doorstromende en voortlevende water, de leerlingen op de Academie die haar inspireerden, die hele wijde wereld die zij wou begrijpen en verbinden. Deze wereld waarvan zij hield. Waarin zij geen Vreemdeling wou zijn. Waarin zij de lege ruimtes wou vullen. Die zij tot haar thuis wou maken. De wereld die ze in zich wou opnemen en waarin ze opgenomen wenste te worden.



Vreemdeling


‘Er heerst de stilte van niet thuis zijn
een verlies vergroot
wat achter is gelaten

Ik geef jou een plaats in mijn tuin
tussen de bloeiende jasmijn
woont een groot dier
dat martelt voor zijn plezier
wij genieten samen
van dit adembenemend tafereel

Ruimte is ingenomen
anders, verkeerd?
Ik vraag je maar of je wilt blijven
en mijn vreemdzijn jou overmeesteren zal

Ik maak een beeld van wie ik liefheb
kijk, de harde kleigrond onder onze voeten
verandert in een modderige vlek
wij gaan samen de leegte mooi opvullen
bepaal ik de plaats van het adres op de enveloppe
en waar ik jouw postzegel plak.

Joyce inspireerde. Daagde uit om steeds verder te willen denken dan je dat tot dan toe gewoon was. Van haar leerde ik dat het denken over het leven en de werkelijkheid en daarmee omgaan in kunst en literatuur een neverending process is. En dat daarbij ook de elementen, de natuur op ons blijven inwerken: het licht, de bodem, het landschap – in al hun variëteiten. Van Joyce leerde ik dat echt leven in deze wereld vol diversiteit een leven is vol ontmoetingen en bruggen bouwen.

Joyce en ik hadden elkaar een tijd  niet gezien, toen zij in 2011 kwam meewerken aan een dag rond die culturele diversiteit, die ik in de Pauluskerk in Rotterdam had georganiseerd.
Die middag ging Joyce op de eerste verdieping aan het werk met een groepje bezoekers die hun oorsprong over een groot deel van onze aardbol vonden. Zij konden zich bij haar in woord en beeld uiten over hun eigen ervaringen – uit hun jeugd, uit hun trek over de wereld, uit hun verblijf hier in Rotterdam.
De sfeer was lichtelijk gespannen die dag. Twee dagen ervoor was een dakloze, statusloze immigrant hier voor de deur door het lint gegaan, omdat hij door getoond wangedrag niet meer naar binnen mocht. Hij had de ruiten met bruut geweld aan diggelen geslagen. Er waren nu planken voor geslagen. De bezoekers toonden angst, misschien ook een licht spoortje begrip voor zijn woede.
Maar Joyce pakte deze mensen mee en pakte hun ondersteboven gegooide gevoelens op. Dat leverde schitterende, aangrijpende, ontroerende resultaten op. Die zij samen later die dag aan ons kwamen presenteren.
Joyce en ik hadden intussen zelf ook al het een en ander meegemaakt. Geleerd hoe het in onze samenleving, dus ook in het onderwijs waarin wij werkten, niet altijd ging om de gedrevenheid en betrokkenheid waarmee je je inzette, om de kennis van het vak, maar meer om je meegaandheid met het beleid, om je gladde tong of gladde rug en je talent op een bepaalde manier te netwerken… We spraken over de pijn die dat had opgeleverd, over de wonden die we meedroegen. En uiteindelijk vertelde Joyce ook over de ernstige lichamelijke ziekte die haar getroffen had.

Met blauwe stenen

met blauwe stenen
dans je morgen de tango
in je lege handen vinden zij emplooi
de bakkebaarden van de mannen zonder vrouwen
zij spelen de dans voor in hun hoofd
zij steken van buiten naar binnen

iedere avond wil zij hem tegenkomen
de wind beweegt zachtjes het tafellaken

ik vraag me af wat er omgaat in haar
zij ligt maar in de nacht zonder licht

in de rij mevrouw, in de rij als iedereen
mijn ogen zijn hier
laat hem mijn ogen verbinden        

Sindsdien onderhielden wij druk facebook-contact. Als geen ander, reageerde Joyce op de dingen die ik deed en stimuleerde ze mij daarin. Al die herinneringen daaraan, aan haar warme woorden, ontroeren me nu ik dit schrijf. Twee dagen na het bericht van haar dood.

Onvoorstelbaar was ook Joyce haar levenslust, haar dynamiek, haar voortdurend voortgaande vulkaan van poëtische gedachten, beelden en regels. Haar optimisme.
In Rotterdam kreeg ik van haar het mooie boek Sawah Belanda. Het boek over het boeken-monument in een sawah-landschap in het Park Sacré-Coeur, gelegen tegenover het complex Bronbeek aan de Velperweg in Arnhem. Een schepping van Joyce en Marion Bloem. Zeven granieten pagina’s die daar rondom het rijstveld-landschap zweven.
In februari appte ik Joyce hoe ik daar met de bus vanaf Arnhem-Centraal kon komen. Die uitleg heb ik nog, maar helaas kwam het er toen toch niet van mijn goede plannen te verwezenlijken. Ik schaam me daarvoor. Ik ga erheen. Ik beloof het. En dan zal ik merken, hoezeer de woorden, de gedachten en beelden van Joyce, voor eeuwig zullen voortleven.

Ontmoeting

Ben ik je in een vorig leven tegengekomen
of weet ik zeker dat ik je ontmoeten zal
in een ander bestaan
‘Hé’ zeg je dan, met een ander gezicht
ander lichaam herken ik je niet

Voel me doorstroomd van een licht – energie
als de dag voorbij is, blijven in het donker
om een glimp op te vangen    

(de gedichten komen uit: Joyce Bloem, Een onmogelijk personage – gedichten; uitgegeven in een gewone versie en in een van honderd genummerde exemplaren met zeefdrukken, door Ravenberg Pers, Oosterbeek, 1990; verder noemde ik Sawah Belanda, een boek als monument van Marion Bloem en Joyce Bloem ea.; Pictures Publishers, Wijk en Aalburg, 2006)
Dick Gebuys

mei 28
Faaienoord II

​Voelden wij dat wereldsucces van Feijenoord al aan bij ons op school, in het najaar daarvoor? Ik weet nog hoe ik de hoek omliep van de Dorpsweg naar mijn school aan het Nachtegaalplein. Ik weet nog hoe ik die elfvoudige ritmiek van het handklappen hoorde dat ook bij acties in het land hoorde: Dit-Is-Het-Be-Gin-Wij-Gaan-Door-Met-De-Strijd.
Wat was er aan de hand?
Gingen wij het onderwijs op school veranderen?
Zelf de leraren aanwijzen?
Vakken kiezen?
Aad kwam aanlopen. Mijn maatje uit de klas. Naast wie ik al sinds 1967 zat – sinds klas 2 Gym2.
- Wat is er Aad? Nemen wij de school over?
- Nee joh. We willen vanmiddag gewoon vrij hebben. Feijenoord speelt uit tegen AC Milaan!
De jongens uit de 6e klas zaten op de trappen van het bordes. Zodoende waren de deuren gebarricadeerd. Niemand kon naar binnen. Natuurlijk had je lui die wel naar binnen wilden. Bij mij in de klas kon ik ze zo aanwijzen. Maar het ging niet!
Aad en ik gingen op het schoolplein zitten. We klapten en riepen mee. Dit was onze strijd. Feijenoords strijd…
Tot het verlossende bericht van de directie kwam. We mochten naar huis.
Zat ik die middag bij ons in de huiskamer. Met Hans van Bonzel, die wij Bommel noemden. Om zijn jasje, zijn witte overhemd en zijn stropdas. Om zijn broek met vouw. Omdat hij nog een Heer was, in een tijd dat wij dat allemaal niet meer wilden zijn. Heer Bommel. Ik kon me leuker gezelschap voorstellen, maar je kon die Bommel ook niet nog helemaal naar Krimpen laten gaan. Dan kwam hij te laat voor het eindsignaal. We hadden nu al een heel stuk gemist. Ik geloof dat we alleen de 2e helft nog helemaal konden meekijken. Maar gelukkig, het werd maar 1-0 voor die Italianen. Dus dat moest in de Kuip kunnen lukken!

Het plaatje dat daarover gemaakt is, heb ik jaren op mijn platenspeler gedraaid.
Die eerste goal van Wim Jansen in de 7e minuut, die tweede van Willem van Hanegem in de 80e. De lyrische woorden van Theo Koomen op de radio bij die goal van Jansen: “Jansen voorbij, een schot, en óver, aawwhh, of zit-ie er in? Nee, nee toch? Hij zit er in, hij zit er in, ohh, ik dacht dat-ie over zeilde, hij zit er in, het is een doelpunt. Ik dacht dat-ie over zeilde, maar hij dook in de, in de hoek en Cudicini staat daar verslagen in het doel en Wim Jansen wordt daar door alle Feyenoorders, wordt-ie omhelsd en gepakt en Treijtel is er uit en iedereen, iedereen is gek geworden, ze staan hier voor mijn ramen te dansen.”

Dat voorjaar zat ik met René Hofmeester in de zogenoemde catacomben van die Kuip. Feijenoord was nog verder doorgestoten in de Europacup. Ze stonden nu voor de finale. Wij mochten met de grote baas van de club praten voor de schoolkrant, Cantecleer. Dus zaten we op zijn kantoor: Guus Brox, Manager. 
- Gaat het lukken, straks in het San Siro, meneer Brox?
We liggen aan de mans lippen. We zuigen zijn woorden op, als zijn het onontbeerlijke vitamines. Als we alles gevraagd hebben wat we wilden vragen, uitgepraat zijn en dus terug de hal inlopen, gaat ons hart sneller slaan. Daar komt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is Ernst Happel aangelopen. De grote trainer… En achter hem komt, met slepende tred, Willem van Hanegem. De Kromme. De training gaat straks beginnen…
René en ik zijn te verbouwereerd om een handtekening te durven vragen!

Die zonnige dag op de Coolsingel, toen de Feyenoord-spelers daar trots op het balkon van het Stadhuis stonden met de eerste Nederlandse Europacup, stond ik daar ook beneden. En was ik natuurlijk ook trots. Voelde ik met al die anderen, wat het op zo’n moment betekent Rotterdammer te zijn en daar deel van de geschiedenis te mogen worden. Zoals ik dat nog een beetje voel als ik in de Bloklandstraat voor het muurtje sta, dat ter ere van Coen Moulijn is opgericht. Want immers, daar in de straat waarin hij geboren is, heeft hij op straat het voetballen geleerd. En zoals ik trotse gevoelens had door de broer van Aad, Jan Hordijk, die in de jaren dat wij samen op school zaten, leek door te breken en ook mee mocht naar die roemruchte wedstrijd in Lissabon tegen Benfica, halve finale Europacup in 1963. Jantje was een gewone jongen, net als wij. En hij kwam toch maar mooi in Feijenoord 1.

Feijenoord was Feyenoord geworden. Ik ging nog eens naar een Europabeker-wedstrijd. Feijenoord – Benfica. 1972. Met Aad en een andere klasgenoot, Frans. Frans was de jongen van de – bewust gemaakte – ongelukkige opmerkingen. In de klas lagen we daar vaak door in een deuk. Maar hier op de tribune tussen een groep Portugezen, was het toen toch al lichtelijk tricky:
- Ik zou best een broodje Portugees lusten…

Ik leerde Jantje, inmiddels Jan, Hordijk kennen. Ik interviewde hem in een programma in Rotterdam.
- Weet je Dirk. Ik had verder kunnen komen. Maar ja, ik dronk graag een biertje. En dan al die vrouwen om je heen…
Ik dronk in Café Gommers een borrel met André Stafleu, speler bij Feyenoord van 1975 tot 1985. Toen ik hem leerde kennen trainer van het Tweede. En voortdurend in de clinch met Robin van Persie. Die niet naar hem wou luisteren. Die het spel niet serieuzer wou nemen dan hij deed. Hij speelde immers al bij Jong Oranje? En de trainer daar deed niet zo moeilijk…
- Ik krijg die gozer niet duidelijk gemaakt, dat hij harder moet werken, Dick. Hij lacht me gewoon uit.
Tegelijkertijd begreep ik van Robin’s vader Bob, dat zijn zoon eigenlijk een heel verlegen jongetje was. We spraken een keer af met elkaar te praten in mijn programma. Maar had hij de hele nacht niet geslapen. En had hij buikpijn. Het ging dus niet door. En toen is het nog een keer gepland. Met daarbij ook maar meteen Mario Been, André en Nourdin Boukhari (van Sparta). Maar de avond daarvoor ging ik in Voerendaal eten. En de andere dag voelde ik me doodziek. Was ik toen te zenuwachtig? Of was het toch gewoon voedselvergiftiging? Dus ging het weer niet door.
Mario zag ik nog wel een keer. Uit de verte in de Kuip, toen André en ik in het midden stonden te genieten van Bruce Springsteen en hij André opbelde vanaf de tribune. En beeldende kunstenaar Bob kwam ik nog regelmatig tegen. Maar Robin werd een onbereikbaar idool. Dat ik bleef volgen. Op de megafoto bijvoorbeeld. In de Nguyen Hue street in HCMC, Vietnam. Trots, dat zo’n gewone Rotterdamse jongen hier een held was geworden, in die Vietnamese miljoenenstad. Een Rotterdamse grootheid tussen talloos veel miljoenen Vietnamezen…
Toch brengt ook die club van Varkenoord emoties bij me los. Als ik oud-spelers op tv hoor praten over hun jaren in de Kuip. Als ik Leo Beenhakker hoor antwoorden op de vraag of dit Feijenoord kampioen kan worden:
- Is de Paus katholiek?
 Als ik oude beelden zie van bijvoorbeeld dat kampioensjaar 1999.
Of als ze zoals gisteren op de voor ons Rotterdammers bijzondere dag 14 mei – de dag van het bombardement – kampioen worden.
Dan schiet ik al vol bij die snelle eerste goal van Dirkie Kuijt!
En ben ik helemaal dolgelukkig als Sparta ook nog behouden blijft voor de Eredivisie.

Met Coen Moulijn kwam ik nooit verder dan twee pogingen tot een interview. Ook weer bij Gommers gepland.
- Hoe laat is dattan? Vier uur? Nee, maar dan ken ik niet joh. Dat zit ik hier met die zaak van mijn.
Henk Schouten en ik hielden contact. Ieder jaar wist ik van wie de eerste kerstkaart kwam, die op mijn mat lag: “Henk Schouten en vrouw.”
Coen is een paar jaar geleden overleden.
Vlak voor de kerst kreeg ik een bericht uit Rotterdam: Henk is ernstig ziek. Alvleesklierkanker.
De kaart kwam nog wel, maar dan lees ik die toch op een heel andere manier.
Daarom ben ik des te verheugder, dat Henk dit kampioenschap nog heeft mogen meemaken.

Ach ja. Gevoelens. Ze zijn zo moeilijk te omschrijven. Of hier dan, in dat ene woord uit het leid van Lee Towers. Pardon, van onze eigen Lee Towers:
Sterk in Rotterdam
Sterk in Nederland
Niets is sterker dan dat ene woord: Feyenoord
Mijn Feyenoord.
Dick Gebuys

mei 21
Faaienoord I

​Wat heb ik eigenlijk met die club uit Rotterdam-Zuid. Die club van dat ene woord: Faaienoord? Ik ben onder de schaduw van de Kuip geboren, in de Kegelstraat om de hoek  van de Putselaan. Hillesluis heette die buurt, maar later werd hij onderdeel van de deelgemeente Feijenoord. Af en toe liepen we door de wijk die ook zo heette: Feijenoord. Door de Oranjeboomstraat, de Rosestraat, over het Stieltjesplein. Nog vaker kwam ik er met de tram doorheen, lijn 2 die over de Maasbruggen reed. Met mijn moeder ging ik dan op woensdagmiddag naar de Stad. Nou ja, stad. Sinds 14 mei 1940 daar Duitse bommenwerpers hun lading boven afgeworpen hadden, was het meer gat dan stad geworden…Met voor ons twee herkenningspunten: de Hema, voor de saucijzenbroodjes, en Ter Meulen voor de – schrik niet – Berliner bollen.

Met andere woorden: ik bén van Zuid. En wie van Zuid was hoorde natuurlijk achter die club van Zuid te staan. Die club met die ‘eij’ die in plat-Rotterdams tot ‘aai’ wordt verbasterd. Natuurlijk kende ik de club van de Kuip. Ik knipte er zelfs stukjes over uit onze krant, het Rotterdams Nieuwsblad. Zoals ik dat ook van Sparta deed. En heel af en toe van Xerxes en Excelsior. Niet-Rotterdammers zijn natuurlijk helemaal vergeten dat Rotterdam toen nog een vierde betaald voetbalclub had: Xerxes, de club van Noord, de club van Faas Wilkes.
Mijn favoriet – het woord ‘idool’ kenden we toen nog niet – was om de een of andere reden Henk Schouten. Betrouwbare voorhoedespeler. Maat van Coen Moulijn op links. Linksbinnen. Henk, Coen, Cor van der Gijp, het zijn klinkende namen in de Feijenoord-geschiedenis. Later met de komst van Frans Bouwmeester schoof Henk terug naar het middenveld. Op 2 april 1956 zette Henk een record neer dat nog altijd recht overeind staat: hij scoorde 9 keer in het duel met De Volewijckers dan met 11-4 door Feijenoord gewonnen werd. Eigenlijk maakte Henk 10 goals, maar het 10e doelpunt werd afgekeurd wegens buitenspel.
Waarom stond Henk toen bovenaan mijn Feijenoord-lijstje? Ik denk om dezelfde reden als waarom ik Sparta-supporter werd. Ik kies graag voor de underdog. Ik loop niet graag achter die zaken en personen aan, waar iedereen al achteraan loopt…

Mijn vader was reserve-politieagent. Af en toe zag ik hem in uniform vertrekken. Soms ging hij dan naar de Kuip. Bracht hij achteraf een kaartje voor me mee. Moest hij daar surveilleren, de boel in de gaten houden. Hij kon natuurlijk ook naar die betreffende wedstrijd kijken. En ik spaarde dan die kaartjes, want die had niemand in de klas!

Naar een wedstrijd wou ik dolgraag ook zelf wel eens gaan kijken. Maar die wedstrijden vonden toen nog altijd op zondag plaats. Van half drie tot kwart over vier, dat was vaste prik. En al gingen wij nooit meer naar de kerk, mijn vader was toch zó gelovig, dat hij vond dat je op zondag niet naar een vermaakstempel als het voetbalstadion hoorde te gaan.
Totdat ik ineens een meevaller kreeg: Feijenoord – PSV. Op 2e paasdag, maandag. En mijn vader had er kaartjes voor. De hele zondag en de maandagochtend heb ik toen op de bank liggen kreunen van de maagpijn. Zenuwen. Maar eenmaal samen op de tribune, genoot ik. Ik vond het prachtig. Het zal in 1962, 1963 zijn geweest. Ik was een jaar of 8,9. En Henk Schouten stond toen waarschijnlijk nog op het Feijenoord-veld. Eind van het seizoen 1962-1963 zou hij teruggaan naar de ploeg waar hij begonnen was, Excelsior.

In mijn herinnering záten Pa en ik, die middag. Meestal stónden de mensen die ik kende. Het meest populaire staan-vak was Vak X. Daar stond ik op 9 september 1970. De legendarische returnmatch voor de wereldbeker: Feyenoord – Estudiantes. Toen Joop van Daele dat mooie afstandsschot gaf en 1-0 scoorde.
Ik herinner me die man voor me. Een schoolvoorbeeld van de Rotterdamse mentaliteit, Kankeren, uit een soort gebrek aan zelfvertrouwen.
- Stelletje klootzakken.
- Hufter, moet je dat nou toch zien man.
- Wat een geklungel! Jezus!
- Stelletje zakkenwassers! Gvd!!!
- As dat zo blijf, ken ik beter naar huis gaan! Tering hee!
Tot die ene goal. De 65e minuut. Die gulle lach, dat opgeluchte gezicht, dat hij achteromkijkend ook met ons wou delen. Net als zijn zakflaconnetje jenever. Daar ging de dop van af en dat ging de kring rond.
- Zie je wel, ik zei het toch al dat ze het konden!!!
Wat een avond, wat een blijdschap. Wat een onbeschrijfelijk geluk: een gewone club uit Rotterdam had die grote wereldbeker gewonnen!

’s Zaterdags erna hadden wij van school een feest in Dancing De Spil aan de Dordtsestraatweg. Bij Ome Arie. Kelner in smetteloos zwart kostuum, wit overhemd, strikje onder het boord. Zoals een kelner toen doorgaans herkenbaar gekleed ging. Ome Arie. Kale kop in de vorm van een biljartbal, In het midden daarvan een klein brilletje.
Ome Arie. Altijd goed voor een kwinkslag en een gezellig gesprek.
Ome Arie. Gul gebruiker van onze consumptiebonnen. Voor een borreltje tussen het lopen door.
Kwam het doordat wij zo kwistig uitdeelden die avond?
Of was Ome Arie extra opgetogen?
Ik weet het niet meer. Maar ik weet wel dat hij op een gegeven moment behoorlijk waggelend met zijn dienstblad langs laveerde en dat ook zijn tong, dubbelgeslagen, het spreken lelijk in de weg was komen zitten.
- Die jongen hè…
- Ja, Ome Arie…
- Die jongen bij Feijenoord – Estudiantes…
- Ja?
- Die Joop… die Joop van Daele…
- Mmmm… mooie goals toch?
- Die jongen dat is mijn zoon! Mijn zoon! Mijn Joop
Slok jenever.
- Proost!
-    Gouwe jongen!
Wisten we ook hoe zijn achternaam was. En konden we dat kleine brilletje van hem meteen beter plaatsen.
Dick Gebuys

mei 09
Maastunnel

​Wanneer reed ik voor het eerst door de tunnel heen? Ik weet het niet goed meer, maar het kan niet anders of het was de fietstunnel die ik als eerste zag. Achterop bij mijn vader denk ik. Ik heb dat altijd als iets magnifieks ervaren. Zeker toen ik klein was, waren die trappen naar beneden en later weer naar boven voor mij reuzentrappen. Indrukwekkende met boenwas gladgewreven houten trappen. Roltrappen die toen elders in onze stad in opbouw nog een zeldzaamheid waren. Die je eerst eindeloos de diepte in leidden. Waar je dan mocht fietsen tot je aan het eind van de tunnel was. Om vervolgens weer gewoon op de begane grond te komen. Via zulke zelfde trappen.
Ik denk dat ik als Rotterdammer trots was op die tunnel. Op ónze tunnel – lange tijd de enige in Nederland. Dat Amsterdam eerst de Coentunnel en later de IJtunnel kreeg, wat kon ons dat eigenlijk schelen… dat was pas in 1966 en in 1968. Toen hadden wij die Maastunnel al meer dan 20 jaar!
Afgebouwd in oorlogstijd, in 1942. Er kleefde zodoende wel een smetje aan. De Rotterdamse aard eigen, dat ze niet altijd alleen maar ‘groos’ willen zijn op de dingen van hun stad, werd er in mijn jeugd gefluisterd, dat de Duitsers hem hadden afgemaakt. Maar als ze dan diezelfde tunnel in 1944 voorzagen van explosieven om hem ook weer door opblazen te kunnen vernietigen, lijkt me dat toch onwaarschijnlijk.

Ik werkte voor vakantiebaantjes aan de andere kant van de Maas. Dan moest ik uit Zuid dus via de fietserstunnel naar Oost fietsen, waar ik in Hillegersberg bij de Technische Unie in het magazijn werkte. Of naar het kantoor van Hudig en Veder aan de Parkhaven, waar ik als jongste bediende de jongste bediende verving – mijnheer Pelt, 63 jaar oud – die op vakantie was. Of naar het grote gebouw van de PTT aan het Delftseplein, waar ik het liefste werkte. Omdat die goed betaalden.
Van die PTT kwam ik ook wel eens ’s avonds laat of zelfs ’s morgens vroeg die tunnel in en uit. Merkte ik dus voor het eerst dat die gewoon de hele dag, 24 op 24, open was.
Op een avond, ’t zal na een late dienst zijn geweest, rond half 11, ging ik naar beneden, terwijl aan de andere kant een man met een brommer omhoog ging. Hij draaide zich om en leek mij wat te willen zeggen, druk gebaren met zijn handen. Ik keek hem zo goed als het ging aan, maar herkende hem niet. Wat zou die vreemde mij willen vertellen? Even later draaide hij zich weer om en keek vooruit, handen recht voor zich op het stuur van de brommer. Maar nog geen minuut later draaide hij zich weer mijn kant uit en begon met hetzelfde ritueel. Alleen verstond ik er niks van en kende ik hem écht niet. Toen begreep ik het. Die man deed wat in de volksmond heet  ‘de St.Vitusdans’. Officieel heet het Chorea van Sydenham, een ziekte die zich kenmerkt door schokkerige, dansende bewegingen van gelaat of ledenmaten. Die man die wou helemaal niets tegen mij zeggen, die wou überhaupt niets zeggen. Die had alleen maar last van onbedwingbare neigingen. Nou had ik dat in die tijd van opgroeiende puber ook wel, maar dat kon je dat weer niet verbloemen, door het de St.Vitusdans te noemen.

Lopen deden we natuurlijk ook wel. Zomaar. Of op wandeltocht. Of om even aan de overkant te gaan kijken. In het park. Bij dat bijzondere kerkje waarvan ze zeiden dat Noorse zeemannen daar naar toe gingen. Alleen als ik erheen ging, was dat kerkje dicht. Noorse zeemannen had ik in heel Rotterdam nog nooit gezien, laat staan bij dat kerkje!
Op een nacht liep ik door die tunnel terug naar ons huis in de Korhaanstraat. De metro reed niet meer. Ik had één van de laatste treinen terug uit Den Haag genomen en moest de hele weg naar huis lopen. In het huis van Haagse vrienden had ik de hele avond gepraat met Steve. Een Amerikaanse vriend uit New York die verliefd was geworden op een meisje uit die familie. Steve hadden we in de buurt van Merksplas leren kennen, waar wij allemaal op de camping stonden en elkaar ieder weekeinde tegenkwamen. Steve had in Vietnam gevochten, was daar zwaargewond geraakt. Met Steve had ik eens een nacht door de bossen bij de camping gelopen. We hadden wat bier gedronken, Steve meer dan ik toen op kon. Misschien had Steve ook wat gerookt, ‘grass’ noemde hij dat, maar ik wist toen absoluut niet dat je gras kon roken en mij leek het ook helemaal niet lekker. In het bos gekomen, meende Steve toen dat hij weer in Vietnam zat. Keer op keer moest ik met hem mee duiken achter struikgewas voor overvliegende bullets and missiles. Hoe gek het ook mag klinken, ik had een nacht in de oorlog in Vietnam meegemaakt. Vanavond had Steve weer veel gepraat. Over de camping, over zijn vriendin, over New York, maar ook over Vietnam. En nu ik hier in die schemerige voetgangerstunnel liep, met slechts in de verte een paar mensen die ook mijn kant uit liepen en niemand die van de andere kant kwam, moest ik onwillekeurig toch weer aan die nacht in dat bos denken. Dat bos in Vietnam, dat helemaal niet in Vietnam lag. En ik rilde, terwijl het absoluut niet koud was.

Als ik met mijn vader meeging, naar zijn werk op St.Job, bij de Bedrijfsgeneeskundige Dienst van de SVZ, gingen we met de auto. Door die heel andere tunnel. Langs dat indrukwekkende elevatorgebouw,  die ene buis in, die naar het centrum ging. Langs die andere buis die naar zuid ging. Vol bewondering keek ik iedere keer naar dit imposante bouwwerk, deze betegelde muren, de luchtkokers, waardoor dat elevatorgebouw de vuile lucht wegpompte en schone lucht naar binnen blies. Als ik mijn vader tenminste goed had begrepen. Bewondering was het inderdaad, met ook een vleugje verwondering, dat mensen dit konden maken. Verwondering hadden wij toen nog, want wij konden nog niet alles wat de wereld gaf via google downloaden. En het was ook nog lang voordat mensen iedere ochtend en iedere avond in lange files stonden te wachten om die buis in te gaan en er aan de overzijde weer uit te komen. En voordat we beseften dat die vuile lucht in die tunnelbuizen ook wel erg vuil en slecht voor je gezondheid was. Het was nog in de tijd dat we zeiden: “Kijk, rook aan die lucht daar, de vuilverbranding!” En dat we het knap vonden, dat wij in Rotterdam ons eigen vuil verbrandden. En dat we het wel mooi vonden dat we daaraan ook een stukje mochten meeruiken.

Ik had in die Korhaanstraat duidelijke grenzen. Als jongetje van een jaar of 6, 7.  Tot de hoek van de Gruttostraat, ten hoogste tot de hoek van de Dorpsweg. En aan de andere kant ook weer maximaal tot diezelfde Dorpsweg, bij de Wolphaertsbocht.
Op een woensdagmiddag liep ik zo aan de rand van de Dorpsweg op tante Nel en mijn nichtje Betty te wachten. Die kwamen om de andere week naar ons toe, de week ertussen gingen wij naar hen. Wij hielden in onze familie van vaste gewoonten en van afwisseling… Maar tante Nel en Betty bleven vandaag wel erg lang weg. Ik kon toch ook gewoon doorlopen langs die Dorpsweg. Als je maar ver genoeg doorliep, kwam je op de Pendrechtseweg en als je daar eenmaal was, kon je recht op Pendrecht kijken, waar zij vandaan kwamen. Kon je goed zien of ze er al aan kwamen.
Was trouwens wel ver lopen hee… pfff… hèhè… dit is de hoek van de Pendrechtseweg. Daar heb je die oude boerderij waar een of andere naam op staat die ik nog niet kan lezen… hier zou ik maar even wachten. Ik ben nu al ver gelopen, veel te ver…
Hee,  kijk, daar komen ze eraan, fijn! Wat kijkt die tante Nel nu boos naar mij?
Op een andere namiddag, ’t zal een paar jaar later geweest zijn, liep ik ook de andere kant op. De Wolphaertsbocht over, langs het Karel de Stoute-park, de Doklaan in, tot bij de ingang van de voetgangerstunnel. Langs dat café. Jos Gommers die in Delfshaven nu Café Gommers heeft, zat hier ooit in, maar die kende ik toen nog niet. En misschien zat hij ook nog niet in die kroeg. Bovendien had ik nog lang niet de leeftijd om over kroegen na te denken. Laat staan dat ik er zou durven komen. Ik heb trouwens ook geen idee wat ik hier nu eigenlijk kwam doen. Zo’n klere-end van huis.
En dan sta je ineens voor die enge tunneltrap. Die naar die nog engere tunnelbuis leidt. En dan al die mensen. Die verdwijnen. En al die andere die weer tevoorschijn komen… Weet je… voor mij is dit eigenlijk het eind van de wereld. Van mijn wereld.
Dick Gebuys

april 14
Verboden vruchten

​Het thema van de afgelopen Boekenweek was 'Verboden Vruchten'. Dick Gebuys neemt ons mee in de wereld van Louis Paul Boon.

1. Aalst, stad van Boon…
Ik sta op het kerkhof van Aalst. In het gezelschap van een paar mensen van het Davidsfonds in Puurs, buurgemeente van Mechelen. De vorige avond heb ik een lezing mogen geven over het werk van Louis Paul Boon in hun woonplaats. Nu staan we aan zijn graf, vooraan op dit kerkhof. Een stukje verder ligt het graf van een familielid van Boon, dat ook verwant was aan de familie van Priester Adolf en journalist Pieter Daens.
Een van de Puurse gasten komt bij me staan. Hij wijst naar een gebouw aan de overkant van de weg.
“Kijk, Dick,” zegt hij. “Daar zat ik op internaat. In de jaren ’60. Toen Boon zijn grote jaren had, zeker bij jullie in Nederland. En ik wist hier in Aalst, niet dat die man bestond. Die was bij ons op school verboden. Dus die werd ook doodgezwegen. Dat vind ik nu met terugwerkende kracht verschrikkelijk, weet ge dat?!”

2. Verboden vruchten
Boon’s boeken waren dus voor katholieke jongeren verboden vruchten. Erger nog: zelfs als zijn boeken in de katholieke bibliotheken gestaan zouden hebben, dan zouden die jongeren er niet naar gevraagd hebben omdat de schrijver was buitengesloten uit hun literatuuronderwijs.
In deze Boekenweek van het thema ‘verboden vruchten’ denken wij bij zulke boeken en zulke passages uit boeken aan seks, erotiek, aan pornografie. Maar daarvan was bij Boon toen absoluut geen sprake. Toen hij in 1942 als debutant de Leo J. Krijnprijs won met ‘De voorstad groeit’, leverde datzelfde boek desalniettemin negatieve kritieken op uit de nazigezinde pers: Boon schreef te pessimistisch, zowel ten aanzien van de wereld als ten aanzien van de mensch <in het Aalsters dialect wordt die ‘sch’ echt uitgesproken!> in die wereld.
Het is deze zelfde kritiek die gevestigde schrijvers in Nederland na de oorlog ook hebben ten aanzien van bijvoorbeeld Gerard Kornelis van het Reve en Anna Blaman. Natuurlijk moet het voor de lezers in die tijd schokkend geweest zijn dat de laatste geen al te grote doekjes wond om haar liefde voor het eigen geslacht, dat zelfs haar pseudoniem daarheen tendeerde: ‘Ben liever als man’. Of dat de ik-persoon in Reve’s ‘Op weg naar het einde ‘ later zo geil geworden is op een loodgieter dat hij zichzelf met de herinnering aan die hemelse schoonheid bevredigt. Maar men viel vooral in de jaren ’50 over Reve’s sombere wereldbeeld in ‘De Avonden’. Zoals ook Paul Hardy daarover – niet minder verontwaardigd  als de oorlogspers – als recensent van de katholieke Gazet van Antwerpen ook na ’45 regelmatig viel bij Boon. Boon met zijn kritiek op kerk en burgerij. Boon die in ’46 zijn ‘Mijn kleine oorlog’ besloot met het venijnige ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’.

3. Schrijver, seismograaf die horizonten verlegt, grenzen openbreekt   
Boon schreef in zijn literaire kritieken in de communistische Rode Vaan, in het verzetsblad Front en in de Vlaamse Gids al over de taak van de schrijver een seismograaf te zijn, woelingen in de wereld te registreren en die voor de lezer in verhalen te vertalen. Maar een goede schrijver zoals hij was, verlegt voor ons lezers natuurlijk ook de horizon waarin we kijken. Maakt ons deel van een andere wereld die we nog niet kenden. Een schrijver breekt grenzen van de gevestigde orde en het gevestigde fatsoen open. Schopt tegen de muren van de macht aan. Een schrijver leert ons meer van onszelf begrijpen en leert ons zo met onze identiteit in die wereld waarin we leven om te gaan.
Maar de mannen en vrouwen van de macht willen vaak dit engagement van de schrijver helemaal niet. Vandaar deze botsingen tussen schrijvers en critici, tussen schrijvers en machthebbers. Tussen de vrijzinnig scribent en de puriteinse fatsoensrakker.

4. Jef Geeraerts 
Het is begin jaren ’90. Blandijnberg in Gent. Met leerlingen van VWO 5 heb ik opnieuw een gesprek met de Vlaamse schrijver Jef Geeraerts. Toen ik hem in de klas introduceerde, zei een meisje in de klas hardop en lachend tegen haar buurvrouw: “Dat is die man die al die negerinnen neukt!”
Zo begin ik ons gesprek vandaag. Met dit idee aan Jef over te brengen. Zonder het meisje met naam te noemen. Dat hoeft ook niet, want zij bekent luid lachend, nog harder dan toen in de klas ‘Oh, dat was ik!’
“Maar,” antwoordt Jef met een glimlach, “ik ben zes jaar in Congo geweest. Met hoeveel  vrouwen bedrijf ik de liefde nu helemaal in Black Venus? 12? Nu ja, dat is dus niet meer dan twee keer per jaar… dat is toch niet zoveel, zie je?”
Geeraerts kwam in opspraak met zijn boeken over Congo, over de zwarte vrouw, over de liefde tussen blank en zwart, over het koloniale optreden van de Belgen. Hij schopte tegen heel wat schenen met een krom geweten, maar hij schopte geniaal. En hij kreeg een Staatsprijs voor de Letteren, van de christendemocraat Frans van Mechelen, terwijl zijn boek door de socialist Vrankx verboden werd. Een geweldig literair werk, maar ook naar de fatsoensnormen van die tijd onzedelijk. En voor de koloniale erflaters van België (de ambtenaren, de missionarissen en de ondernemers) een boek dat hen natuurlijk abusievelijk schoffeerde. Jef mocht zowel wie hem bekritiseerde als wie hem de loftrompet blies, dankbaar zijn. Zij het onder de toonbanken van de boekhandels haalde de verkoop van zijn Black Venus-boek recordcijfers.

5. Jan Wolkers
Mijn ervaring met het andere geslacht ging niet veel verder dan de middenpagina van het enige blootblad van die tijd, de Lach. Vandaar dat ik heel veel leerde van Jan Wolkers en later van Jef Geeraerts. De laatste deed me ook van zwarte vrouwen houden en dat vond me heel verrijkend in een toen toch vrij verzuilde tijd waarin mensen heel erg in hun eigen groep opgesloten zaten.
Toen Wolkers ook film werd, werd hij veel meer gewoongoed in ons land. Ik herinner me dat mijn oom Tom en mijn tante Truus met veel plezier stukken uit ‘Turks Fruit’ voorlazen toen ze met ons op vakantie waren. En dat wij gezamenlijk op de Radetzki-mars de vader van Olga nazongen: ‘Tieten kont, tieten kont, tieten kont kont kont…”
Wie schetst dus mijn verbazing, dat ik op mijn eerste jaar op Sintermeerten (1979/1980 – het boek is van 1969, de film van 1973) boos gebeld werd door een moeder van een leerling uit Havo31. Ik deed toch wel erg gekke dingen?! Ik draaide een hele film die alleen maar over seks ging… dat moest ik met haar zoon erbij toch maar niet meer doen…

6. De oppervlakkige en de diepere betekenis  
Ik heb van Herman Pleij in de studie van de Middeleeuwse boeken al geleerd dat je onder het oppervlak van een tekst moet kijken. Dat je moet zien wat daaronder zit. Wat de diepere lagen en bedoelingen zijn.
Turks Fruit toont in de totaliteit van het verhaal, dat echte, oprechte liefde veel meer is dan seks alleen. En dat seks veel meer moet zijn, dan seks van en voor de man alleen. En dat was in 1969 een gedurfde boodschap, dat was het nog steeds in 1973 en dat mocht het ook in 1980 nog best zijn.
Dit geldt ook voor erotische boeken van Louis Paul Boon als ‘Zomerdagdroom’ en ‘Eros en de Eenzame man'. Waarom is seksualiteit in onze samenleving nog steeds zo’n probleem? Komt dat door die schrijvers die er open en bloot over schrijven? Of komt dat door die mensen die er liever over laten zwijgen? En door die machthebbers die het liever toedekken om de boel rustig te houden?

7. De taak van de schrijver
Een schrijver schrijft over wat hem bezighoudt, over wat hij waarneemt, waarover hij schrijven moet.
Jack Kerouac schreef over mannen ‘on the road’ in the States eind jaren ’40. Over een losgeslagen groep jongeren, verlangend naar onbeteugelde vrijheid, maar daarin ver over de schreef glijdend. Kristien Hemmerechts betoogt vele jaren later dat we zulke boeken beter zouden doodzwijgen, omdat ze met hun kijk op en omgang met vrouwen erg vrouwonvriendelijk zijn?
Ik vind dat grote bullshit, mensen. Boeken zijn dan opnieuw seismografen. Ze registreren. Als wij niet weten wat er onder mensen leeft, wat er onder de deken van de dagelijke schijn en hypocrisie borrelt, zouden we ook niet weten dat we daar iets aan moeten proberen te doen.

Schrijvers schrijven over wat er leeft onder terroristen, van welke kant die ook komen. Zoals Tommy Wieringa dat nu gedaan heeft, maar wat al veel eerder gedaan werd door Yasmina Khadra of – in zekere zin - door Fikry El Azzouzi. Schrijvers als Eric-Emmanuel Schmidt  of Natascha van Weezel schrijven over het schuren langs elkaar van de diverse culturen in onze wereld. Of als Rodaan Al-Ghalidi of Amélie Nothomb duiken ze in de rafelranden van onze wereld. Salman Rushdie valt die ontsporingen van islamitisch geloofsdenken aan in ‘The Satanic Verses’. Zouden zij dit niet mogen doen, omwille van onze veiligheid? Ik denk veel eerder dat zij dat moeten doen, ook omwille van die veiligheid.

8. Nieuwe preutsheid, veranderde normen     
Goede schrijvers zijn natuurlijk ook provocateurs. Laten we hen net daarom dankbaar zijn. Toen Louis Paul Boon katholiek Vlaanderen aan zijn voeten had liggen, met ‘Pieter Daens’, ging hij juist weer op hún tenen staan met ‘Mieke Maaikes obscene jeugd’.
Leven we nu in een tijd dat er veel meer kan dan toen? Ik denk het niet. Ik heb boven al enkele gevaren van moderne preutsheid aangestipt. Ik zou kunnen vertellen hoe leerlingen nu de klas verlaten om hun neus te snuiten, hoe ik me om moet draaien met het gezicht naar de muur om dat ook te kunnen doen, we kennen de verhalen van het douchen met zwembroek of onderbroek aan.
Ik wil met mijn laatste voorbeeld zover gaan, dat ik misschien ook wel op uw tenen stap.
De drie mensen tussen muren, verlaten in de gelijknamige, kleine linosneden-novelle van Boon de gevangenis en komen daarbuiten een klein, lief meisje tegen. Een klein lief onschuldig meisje, dat de harten van die drie die zolang niemand anders ontmoet hebben, sneller doet kloppen. Drie mannen die vanaf het moment van hun vrijlating omringd zijn door de mensen uit de buurt, met hun dorpsroddel, achterklap en gifspuiterij. Die muren optrekken. Drie mannen die zolang geen tederheid, geen geluk ontmoet hebben. Zodat ze meteen al ruzie krijgen nu ze hier een klein beetje van gaan voelen.
“Zorg, kommer en ellende, dat is voor allen samen, dat moeten velen samen dragen. Vrede, echter en geluk, dat wilt ge alleen bezitten.”
Het meisje, dit pure, lieve meisje, is hen teveel… en ze vermoorden haar. Om de vrede onder hen te bewaren. Om de zuiverheid voor haar te bewaren… Om haar niet ook het slachtoffer te laten worden van de mensen om haar heen met hun roddel, achterklap en gifspuiterij. Die hun muren optrekken in de smalle straat waarin ze zich terugtrekken.
Zou dit boek nog kunnen in deze tijd?
Kunnen vreemde volwassen mensen nog zulke, zuivere gevoelens dragen voor kinderen?
Is een schrijver die zoiets durft te schrijven nu niet in de ogen van de mensen om hem heen op een heel fout pad beland?
Ik heb dit stuk met leerlingen gespeeld. Hier in Heerlen, op een Boon-festival in Tilburg. Ik heb er een zaal stil van horen worden. Ik heb er veel complimenten voor gekregen.
Maar zou ik het nu nog kunnen doen?

9. Lezen of lezen
Het grote publiek riep uiteindelijk bij Boon, bij Geeraerts, bij Rushdie en al die anderen: “Mooi, mooi, mooi!“ Mooie boeken waren het en ze legden ze op de salontafel en keken er niet meer in.
Doe meer met die regels, die woorden, die boodschappen mensen. Kruip achter die woorden, ontvang de boodschappen, laat ze door je hoofd bewegen, begrijp wat er allemaal in deze wereld kan spelen en leer ervan. Word er meer mens door. Mens tussen de mensen. Zonder muren op te trekken. En word dus mens omringd door verboden vruchten die zo heerlijk fris kunnen smaken.
Dick Gebuys


april 11
Handbal

​Mijn voetbalcarrière was niet erg lang en nog minder indrukwekkend. Bij De Musschen in Rotterdam-Zuid, aan de Oldegaarde. De ploeg van Ome Dirk Nijs, oud-scheidsrechter, bobo in de Rotterdamse Voetbalbond, erevoorzitter van de club. De Musschen speelde doorgaans 2e klasse in het amateurvoetbal. Soms zelfs 1e klasse. Maar voor mij maakte dat weinig uit. Cees Lamsveld mocht bij DCL spelen (3e, 4e klasse), Leo Belder bij COAL (4e klasse), zij speelden tenminste iedere week. De Musschen had 12 aspirantenteams, ik zat in het 13e…
Vandaar dat ik op een bepaald moment op handbal overstapte. Ik ging naar Actief. Ik weet niet eens meer waar wij eerst ons veld hadden, samen met andere clubs achter bij de Charloise Lagedijk denk ik. Maar al gauw kregen we ons eigen veld, aan de Kromme Zandweg. ’s Zomers om de 14 dagen daar spelen, de andere week fietsten we naar dat oude veld om tegen de Schutters te spelen, naar Zestienhoven (voor Dynamo) of werden we gebracht naar Gouda (voor Snelwiek). In de winter speelden we in de zaal. Dan gingen we naar de andere kant van de Maas, voor de Energiehal, en naar Schiedam-Kethel waar ook een grote sporthal lag. 
Actief was de club van mijn vriend Frits Aalbregt. Of eigenlijk moet ik zeggen: het was de club van de familie Aalbregt. Want Frits speelde er al heel lang, zijn vader was voorzitter en zijn moeder was ook iedere week wel ergens op de velden te vinden. Met Frits had ik veel jaren samen in de klas gezeten op de Zuiderparkschool, mijn basisschool. Hij woonde ook niet ver bij me vandaan, in de Klaverstraat. Dan moest je langs dat kleine straatje, waar onze huisarts woonde en waar ook de vader van een vriend van Frits zijn praktijk had als tandarts. En langs een groot huis in de Gruttostraat dat van een dokter was – Walch – die ging over keel-, neus- en oren. Ik was daar gelukkig nog nooit naar toe hoeven gaan. Vond het ook maar een rare naam, Walch, walg… geen reclame dat die man zijn werk graag deed, toch?  En dan ging je daar bij dat Walch-huis weer de hoek om. En dan dat ene portiek van dat blok nieuwe huizen in die straat, daar woonde Frits. Tot hij ging verhuizen dan. Naar een mooi nieuw appartement aan de Kerkwervesingel, Pendrecht.
We woonden toen wel een eind uit elkaar, en we waren ook naar een andere school toegegaan, Frits na de Mulo op de Schere, ook in Pendrecht, en ik naar het Lyceum aan het Nachtegaalplein, vlak bij ons huis. Maar we bleven wel samen handballen bij Actief. En we bleven ook nog vrienden.
Frits zijn vader was boekhouder bij Nellen Kranenbouw aan de Sluisjesdijk op Waalhaven. Later werd hij procuratiehouder. Ik had er geen idee van wat dat was, maar het zou wel hoger zijn dan boekhouder. Nog later werd hij directeur. Nellen kwam toen aan de Doklaan, bij de Maastunnel, naast de Vuilverbranding te zitten. Ik begreep niet zo goed hoe zo’n promotie precies tot stand kwam, of die nu te maken had met die verhuizing naar de Kerkwervesingel, of met die naar de Doklaan… Maar ik begreep wel dat mijnheer Aalbregt bij Actief niets anders kon zijn dan voorzitter.

We hadden een leuk team. Sterspeler bij ons was Ruud, Ruud van Beek. Die scoorde als hij het op zijn heupen had aan de lopende band. Verder waren er Wouter en Arnold. Solide aanvallers. Frits zorgde vooral voor de opbouw en ik werd meestal als stootblok in de verdediging gebruikt. Ik kon mensen redelijk blokkeren, af en toe gecombineerd met een elleboogje hier en een knietje daar. In de aanval was ik van geen enkele betekenis. Of het moest af en toe zijn om iemand van de tegenpartij voor Ruud of Wouter of een ander van ons team af te schermen.
Eigenlijk werden wij altijd met gemak kampioen. Zo ontstond op een bepaald moment op het veld het idee, dat ik toch ook een doelpunt zou moeten maken. In de zaal scoorde ik weleens, die veldjes waren ook een stuk kleiner, dat was eigenlijk een heel ander spel. Maar op die grote velden buiten, lukte mij dat nooit.
“Wij gaan zorgen dat jij het 100ste doelpunt maakt,” besliste Ruud.
Het was in die doelpuntrijke wedstrijd in Gouda tegen Snelwiek, dat ik zoveel kansen om zeep hielp, dat dit zelfs de weekbrief van Actief nog haalde. We hebben die middag veel gelachen, dik gewonnen, maar Dick had niet om zichzelf kunnen juichen.
Waar was het de volgende keer? Ergens boven in Rotterdam. Zestienhoven of zo. Ik kreeg per ongeluk een bal, ik gooi even per ongeluk op het doel en ram, hij zit erin… de 103e geloof ik. Geen gouden randje dus, maar voor mij wel een gouden goal!

Het was niet de tijd van de luxe die we nu hebben. Ik nam af en toe een paar kwartjes mee, om niet alleen maar water te hoeven drinken, of om een stuk chocola te kunnen kopen, in de naïeve gedachte dat het me energie zou geven en kans op scoren. Maar ik had nooit veel in mijn portemonnee zitten. Die hoefde ik echt niet af te geven aan de moeder van Ruud, die op onze spullen paste als we speelden. Maar het was zo’n mooie portemonnee… een souvenir van echt leer uit Bouillon in de Ardennen. Stel je nou voor dat ze hem zouden pikken. Om die twee kwartjes die erin zaten ging het me niet. Maar die portemonnee wou ik voor geen geld kwijt. Dus gaf ik hem aan mevrouw Van Beek. Tot die keer, dat ik het gevoel kreeg, dat ze hem met een spottend lachje aan me teruggaf. Had ze in mijn portemonnee gekeken? Dan kreeg ze hem toch mooi nooit meer!

Wat mensen tot trainer maakte, ik had er geen idee van. Dat had ik eigenlijk ook bij De Musschen niet gekregen. Even trainde mijnheer Van Fulpen ons bij Actief. Die had ook oudere teams onder zijn hoede. Dus wij keken wel tegen hem op. Maar toen moest hij er ineens mee ophouden. Gezondheidsredenen geloof ik. Al zei ons dat toen niet meteen erg veel. Wij kregen een nieuwe trainer, die ons ook in de kerstdagen uitnodigde bij hem thuis langs te komen. Gezellig met het team te kletsen, oliebollen te eten en warme chocolademelk. Nu zou je dat teambuilding noemen. Toen onthielden we vooral de smaak van de wat kleffe oliebollen en de chocolademelk met een dik vel erop. Verder kan ik met niet herinneren dat hij ons veel over spel en spelsystemen leerde. Maar het kan ook best zijn, dat dit voor mij veel te moeilijk was en dat ik het niet goed in me opnam. Al kan ik me zelfs nu nog nauwelijks voorstellen, dat die man dingen kon verzinnen, die ik niet begreep… Laat staan dat hij ze dan ook nog kon vertellen… Ik vond zijn taalschat voor zover ik dan kon beoordelen, vrij karig…en de kook- of bakkunst van zijn vrouw was ook niet geweldig…
Je leerde ook wel anders tegen mensen en dingen aankijken in die sport. Zo woonde er bij ons aan de overkant een man van wie wij wisten dat hij in de oorlog ‘fout’ geweest was. Die lange man met die loden overjas en die bril met zwaar montuur en dikke glazen had op de hoek van de Beijerlandselaan ‘Volk en Vaderland’, het weekblad van de NSB, staan verkopen. Ik had geleerd hem hoogstens met een scheef oog aan te kijken, wanneer hij op straat langs ons liep. Maar nu kwam ik op de handbalclub zijn zoon Piet tegen die in de seniorenploeg speelde. Of ik zag hem op een feestavond. En die Piet bleek best een aardige kerel te zijn, ondanks zijn vader!
Op een gegeven moment komt Nico bij ons spelen. Lange knul, hard schot. Niet zo technisch begaafd als Ruud van Beek, maar wel een jongen met grote kwaliteiten. Nico raakt geblesseerd. We gaan thuis bij hem op ziekenbezoek. Ik ben gedoopt in de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik heb altijd het openbaar onderwijs bezocht. De katholieke wereld ken ik niet. Behalve van hun schoolplein, waar ze in groepjes werden neergezet en dan klassengewijs naar binnen liepen. En van de paters die in de kerk naar binnen liepen die aan de Dorpsweg stond en de oude opaatjes in de Speeltuin daarnaast, van wie wij dachten dat zij ook pater waren. Sterker nog voor wat mijn paapse onwetendheid betreft: beelden die mensen uit de Bijbel uitbeeldden kende ik niet echt, of het moest zijn van de films die rond de kerst werden uitgezonden. Dus toen ik bij Nico kwam, in een huis vol met heiligenbeelden en een Christus aan het Kruis aan de muur, voelde ik me lichtjes ongemakkelijk worden. Kwam het daardoor dat ik toen ik dat schilderij van die drie evangelisten aan de muur zag, vroeg of dat misschien het ‘Cocktaltrio’ was?
Bij Nico mocht ik niet meer terugkomen. Handballen bleef ik nog wel een paar jaar doen, tot ik me vanwege mijn schoolwerk de tijd niet meer gunde voor sport. Zo zal het wel gekomen zijn, dat ik pas veel jaren later, bij zijn begrafenis, vernam dat een van mijn favoriete leraren – Ruud Nijdam – ook een fanatieke handballer was geweest, bij de Schutters.
Op Sintermeerten ben ik nog weleens een beetje aan het handballen geweest. Vooral in het docententeam dat een de klassencompetitie meedeed. Hoe kon dat ook anders, in een provincie waar zulke sterk handballers vandaan kwamen? Ik nam ook een voorbeeld aan Wim van Mulken, die speelde in de uit die handbalwereld meer bekende streek. En aan Ton Velraeds, oud-international, trainer van het Nederlands team.
En ja, als ik dan stukjes van het Nederlandse damesteam zie, komen toch die oude herinneringen wel weer bij me terug. Herinneringen aan die tijd aan de Kromme Zandweg, aan die zaal in Schiedam, aan dat 103e doelpunt.  
Dick Gebuys

maart 28
Visit from Mikumi

​De Tanzaniaanse leraren die bij Sintermeerten op bezoek waren, houden een dagboek bij. Zij vinden veel dingen bijzonder, maar herkennen ook een aantal zaken in school!

Sintermeertencollege in the Netherlands has an Exchange Program Support with Mikumi secondary school. Last year a group of twenty students from The Netherlands visited Tanzania and supported various projects; including Water project, Laboratory chemicals and apparatus, Electricity supply in Science laboratory and sports and games facilitites. In this year, 2017 the Sintermeertencollege has sponsored two teachers; Ilala Nyembeke and Fadhili Kivaria from Mikumi secondary school to visit their school purposely for exchange program in academic sector and other administrative area. The following is the highlights for the visit:

May God bless Netherlands and Tanzania!

DAY 16: MONDAY 03/04/2017
We left Amsterdam by 12:50 hours with the KLM flight towards Nairobi and then by Kenya Airways to Dar es salaam our homeland.

DAY 15: SUNDAY  02/04/2017
We went through Amsterdam streets in accompany by Mr. Jos son who lives in the Netherlands.

DAY 14: SATURDAY  01/04/2017
The plan was to go to Amsterdam for tour. This is the biggest city in Netherlands and the capital city. It is a busy city with more than one million people.
We visited the Hague and other areas in the Netherlands and we rest at Lodge in Netherlands.

DAY 13: FRIDAY  31/03/2017
We went to school to summarize some activities and say goodbye to teachers, students and staffs for their cooperation during our stay in the Netherlands.
In the morning we worked out at Mr. Jos office and there after we met some few students and teachers and say TOT ZIENS!

DAY 12: THURSDAY  30/03/2017
We went to Sintermeertencollege at 11:00 am and we had meeting with the Biology teacher. She showed us some teaching aids and materials she always use when teaching. She provided us some copies of biology books and charts to move with in Tanzania. In the afternoon we saw the movie of the students trip to Tanzania in 2016. This was a very good film. Some parents who were present at that movie were very much impressed to see how their children could perform so many activities in Tanzania.

DAY 11: WEDNESDAY  29/03/2017
We went to the International school, Afnorth school. This is real a big school and international. Currently, it includes 22 nationalities in the school.
It was very pleasure that we could find the Director of the school. He was very good to us as we held a little meeting with him telling him about our system of education in Tanzania and how they organize and facilitate learning at Afnorth. We told him about the challenges we are facing in Tanzania schools, including lack of education materials, human resource and school infrastructures.
The Director was very much interested with our speech and the way we presented issues and was able to keep us in contact so that in the days to come he and other staffs will assist us to solve some challenges in collaboration with the Sintermeertencollege our sponsors.
In the evening we were collected by two parents of students who visited Mikumi last year; Ilala went to Iris house and Fadhili went to Tara house for three days.

DAY 10: TUESDAY  28/03/2017
In this day, around 09:00 hour we left Heerlen and went to the Efteling place in Kaatvechel. The journey was about one hour and half car drive.
We saw many adventures in the park. There was music every point in the park. So many miracles telling stories were seen in the park. We couldn’t know whether things that we saw were fake or real. We experienced travelling with the little train. We played the moving ships, motor cycles and rolling machine.
We also went to the lifting house and enjoyed a lot. Thereafter we went to the music house. In the park we experienced a delicious meal too, the burger and salmons. This was new experience too. One major thing we learn from the park is that, people can apply technology, art and talents to create things.

DAY 9: MONDAY  27/03/2017
The day started early. We went to Lindergard primary school where we meet little children and their teachers. The school is very beautiful, and has many facilities necessary for learning. Children are very active and happy enough.
Students from all classes were able to ask questions and know a lot about Africa. This was a big lesson to us, as majority of Tanzania students seem shy to ask questions.
In the afternoon we went to ZUYD college. This is a big school near by Sintermeertencollege. We were accompanied by two colleagues, Minou and Jillin. They were very supportive to us as they guided us to show all the faculties and studies that are carried out in the college.
It was also a pleasure that on the way around, we met Mr. Gerard a man who visited  Mr. Ilala’s uncle in Tanzania in 2009. That was also a good luck to us.

DAY 8: SUNDAY 26/03/2017
This was another beautiful day for us. We travelled to the biggest and oldest city in Maastricht. We travelled by electrical train to Maastricht city. Along the way it was nice to see different villages via train windows. There are many things that we observed at this big city. We saw the nice Railway train station than ever before.
In Maastricht we observed large navigable river, good looking ships and boats as well as bridges.
We also saw the  old churches found in the city and the underground car parking as well as various shops and good arranged buildings.
In the afternoon we went to Parkstad area  and we saw cinema movie of the King Kong. It was very much interesting film. Many people were very much exited. During the movie every one of us had a Casserole  of Popcorn and a bottle of Coca-Cola.

In the evening we had a meeting with Mr. Jos’s friends who are preparing to travel to Tanzania at Mikumi and thus wanted to hear few things from us and discuss some agenda about the school.

DAY 7: SATURDAY 25/03/2017
This was a weekend  day with   sun weather and thus the environment was conducive for people to move around. There are different places that we visited;
We first attended the area of velour’s graves of  USA military army who fought for the WWW II  in The Netherlands
Thereafter, we went to the triple point, an area where three countries meet (Netherlands, Belgium and Germany). It was a funny because we also climbed the tower and made various pictures from that point.
In the afternoon we went to the coldest area in the Netherlands where we observed many people are  doing Skeen and  as well as snowballing.
Finally we climbed 557 steps up outside the Skeen area where we saw various areas of the Netherlands and German. The most interesting this was to view the solar panel from this view.

DAY 6: FRIDAY 24/03/2017
We also went to the school in the morning. We attended the Geography period. The lesson was about Population. The students were very much interested to hear a presentation from Tanzania. It was very nice. Everyone was interested to visit Tanzania. Students and teachers wanted to know what good things which are found in Tanzania. We were able to explain to them many things including; good weather, good people, lots of tourist places, good place for investments and many others.
There after we attended Biology class where students were doing practicals. It was very nice that the laboratories are fully of apparatus and chemicals, specimens and many materials.
After break, we attended a music class. The lesson was about hearing. Students and us could play the piano using the key tones given. We also played the drums very well using our own style. That was very great too.
Mr. Jos also showed us the source point of Heaters and Electricity at Sintermeertencollege. The area were so much impressive enough. They are fully of technology.
In the evening we walked around the railway line to see how electrical trains move.

DAY 5: THURSDAY 23/03/2017
This was a special day for us in the Nertherlands because we attended lessons, went to Maastricht Hospital and we enjoyed  various games at school and town.
In the morning, we attended Sports lessons. We played table tennis, Icehocking and Gymnasium.  These were very new events to us. Very Great!
There after we attended a Mathematics class. Students were discussing about Balancing Equations. They were given tasks to do and students used the chalk board to present their work and answers before their fellow students.
A subject teacher also made revision on statistics especially the Pie Charts. To us we saw how students were very active as per Mathematics subject.
In the afternoon, we went with Dr. Jerome to Maastricht Hospital. We saw how large hospital it is as we ever seen it anywhere. The hospital is very organized in terms of departments and services.  Doctors and Nurses seemed to be very busy with patients. There are Outpatients departments and Admission departments. Everything is organised. One thing interesting is how the town and roads have been organised. That is great!
Furthermore, in the evening we went to a very big restaurant in town. We ate very delicious food that we never taken. A Pizza – Fiama, it is prepared using a big plate. Once you eat, you become very tough and energetic.
It was a pleasure that we also played a ball game ( bowlen). We kicked the ball very strategic and funny. That is how the day ended.

DAY 4: WEDNESDAY 22/03/2017
The first lesson was about Economics. Students learnt about Buying and Working. Many concepts such Turnover, Sales, Profit and Market share were discussed. The knowledge learn is very applicable in daily life. For that matter as Tanzanians we learnt that these basic concepts in life are supposed to be taught to all students as general knowledge and as subject.
The second session attended was about English subject. The lesson was about Listening Skills. Students were given test to listen the video and answer the questions.
There was a lot to learn from the tasks. First learners were able to grasp information from the video presentation and answered well the test. This was new thing as majority of our schools in Tanzania do not practice this.
In the afternoon we went to the International school for walk with Mr. Jos’s family. It is good place for recreation. We saw big sheep’s with a lot of fur that we never see the before. That was good news to us

DAY 3: TUESDAY 21/03/2017
This was the first day to attend lessons in classes. We attended three lesson on the day. Lesson one was about Technology. Students learnt about different skills in Drawing figures. They had to draw figures using the concepts of Enlarging and Reducing objects by working keenly with the scale.
Lesson two was about Biology. Students were given real Heart to draw the External and Internal part of the heart. That was done as  test, we tried to observe how students were doing and found that majority were able to full fill the questions requirements.
Lesson three  was about Physics. Students were learning about Braking and Collision. The teacher tried to explain different concepts like the driving force, breaking force and the resultant force and how to compute problems using these concepts.
From all the lessons, as observers we learnt a lot for our school. For examples, all teachers were able to use teaching media in delivering lessons, students were very much participatory as all were doing the tasks given by teachers. Teachers are very close to the students as were able to assist them throughout the lesson. But one important thing is that in practical’s, students should be given real objects to observe in order to avoid misconceptions and there must clear instructions. Of course it is impossible to exhaust everything here.

DAY 2: MONDAY  20/03/2017
We travelled all along the way from Amsterdam to Heerlen by car. Everything along the road as we move was quite different from what we were used to in Tanzania. Planned country with very standard roads. No traffic seen along the road. No person was seen moving along the road. Real it was  marvellous!
When we arrived at the living place prepared for us, we could not sleep if we couldn’t go to visit the school for introducing ourselves. Thus we went to school where we met some teachers and some students  who showed us all the school compus.
After the visit at school we turned back to our living place at  Voerendaal street. This how the day ended.

DAY 1: SUNDAY 19/03/2017
The journey started at 06:30 a.m , when we left Mikumi  by bus to Dar es salaam. We also made a flight from Dar es salaam; 21:40 pm  to Nairobi at 23:00 by Kenya Airways. There after we changed another plane, the KLM from Nairobi 00:15 am to Amsterdam at  07:30 on Monday.
The journey was very much impressing. Everything was great to us. Taking a flight was a new thing to us. The food we ate in the plane was very much delicious. We were able to eat and drink whatever we could like. The journey was safe too. One  thing interesting was that, immediately as we dropped at Amsterdam our Hosts; Dr. Jerome and Mr. Jos Essen were ready at the airport waiting us. This became a first thing to believe that we are in the safe hands and country. Congratulations!
 

1 - 10Volgende