Sintermeerten > Over SMC > Blog
Blog Sintermeertencollege
oktober 06
Jan Siebelink II
Het kleine, eenvoudige leven
Henk Wielheesen is niet intelligent, maar hij is wel slinks,” stelt Siebelink. Moderator Marcel Möring voegt daar aan toen: “Hij heeft zijn kracht in kleine dingen, die vaak door anderen over het hoofd gezien worden.”
Siebelink: “De kleine dingen zoals bijvoorbeeld een middag als deze!
Ik heb verschillende buren met elkaar vermengd. Er was inderdaad een buurjongen bij ons in de straat, van wie de moeder jong was overleden en van wie de vader, Matser, de lijnen op de  sportvelden kalkte. Nota bene op zondag! Op Sportpark De Del deed hij dat, door mijn vader omgedoopt in De Hel…
Henk laat – beïnvloed door de religieuze gedrevenheid van zijn buurman – zich vooral sturen door het woord Gods, richt zich naar Hem. Daardoor gaan waan, droom en werkelijkheid bij hem door elkaar lopen.”
Al komt hij door zijn vrouw en door zijn stiefmoeder – de moeder van Ruben – wel enigszins tot inkeer. Maar dat huwelijk met Anna brengt niet wat hij ervan verwacht had. En hun dochter Guusje brengt hem bittere teleurstellingen. En toch… “Op de dieptepunten van het huwelijk is er nog verknochtheid.”
p.273: “Met het afbouwen van de zware medicijnen was zijn haar weer gaan groeien.
Ze haalde een schaar en een kam, en het scheerapparaat om zij nek uit te scheren. Ze kwam terug, was nog het kleine schaartje met de vleugels vergeten om de haartjes uit zijn neus en oren weg te halen. Dat kon straks nog.
Ze maakte zijn haar nat, bracht precies de scheiding links aan, knipte het haar om zijn oren weg.
‘Hou je hoofd recht.’
Ze was een tijdje bezig, kamde het haar, duwde er met de hand een lichtte golf in, bekeek het van afstand.
Hij voelde een aangename slaap van het gefrunnik over zich heen komen.
‘Geef er maar aan toe. Het haar zo maakt je jonger.’
Hij sliep in. Zij redderde wat, kwam bij hem zitten.”
Maar toch, het kleine gewone of liever eenvoudige leven zoals hij zich dat gedroomd had, is hem niet gegeven.
p.280: “Hij liep naar de fiets, haalde het afvalhout vanonder de snelbinders. Met een arm vol hout kwam hij haar kant op, wees resoluut naar de straat. Een jong echtpaar dat bovenaan woonde, kwam voorbij, een kind tussen hen in. De jonge vader riep een, twee, drie en het kind sprong aan de hand van zijn ouders omhoog.
Hij wees.

‘Wat wijs je nou?’
‘Zo’n gezin had ik gewild.’
‘Wat denk je van mij?’”
Helaas, deze eenvoudige vorm van harmonie, is in hun leven onmogelijk gebleken.
p.160: Henk, Anna, hun kind Guusje, Margje Sievez en Ruben gaan met elkaar naar hotel-restaurant Naeff, waar Anna vroeger werkte en Henk haar door zijn leveranties van bomen heeft leren kennen. “Henk was maar gaan zitten. Hij bewonderde Anna om het lichte, het levendige dat ze hier toonde. Zij genoot op een vanzelfsprekende manier.
Hij was daartoe op dit moment niet in staat. Hij voelde dat zijn lichaam zich spande, dat zijn vingers verkrampten.”

De breuk met Guusje
Mijn bovenbuurmeisje ging als eerste in ons portiek naar de middelbare school. Zij zou die nooit af maken, maar dat wisten wij toen nog niet. Ik vond haar houding, zonder dat ik wist waarop dat gebaseerd was nogal nuf. Het leek wel of ze altijd met haar kleine neus hoog in de lucht zat te praten.
Rotterdammers zeiden in die tijd in hun dialect allemaal ‘zee’ als verleden tijd van zei. Op een dag vindt er in ons huis een gesprek plaats waar zij ook bij zit, neus in de lucht.
Iemand die er niet bij was, zou volgens het gesprek iets gezegd hebben…
Zee-die dat?!
Het was mijn moeder of die van haar, die aan het woord was.
-  Nee, zei bovenbuurmeisje toen. Hij rivierde dat…
Niemand reageerde op haar. Als het een grap was, een nuffe grap dan natuurlijk, dan was die mislukt. Als het als een taalcorrectie bedoeld was, dan werd die niet opgepikt. Niemand zee wat tegen haar.
Maar ik dacht maar steeds wat ze nu bedoelde… Rivieren voor praten, dat werkwoord bestond toch helemaal niet?!

Aan dit eigenlijk vreselijke toneeltje, dit soort vervreemding tussen ouders en kind moest ik denken, bij de laatste echte scène tussen Anne, Henk en hun dochter Guusje. Guusje schaamt zich, voor haar vader, voor het milieu waaruit ze komt, voor hun kleine leven…En zij gedraagt zich zodoende beschamend!
p.212 / 213:  “Op een gewone, neutrale toon zei Henk Wielheesen: ‘Jammer van mama’s lekkere eten. Het is al koud.’ Ter/wijl hij dat zei, bleef hij naar zijn bord kijken, en zag dus niet dat zijn dochter haar linkerhand met gespreide vingers zijn richting uitstak en tegelijk het hoofd zo ver mogelijk van hem afwendde.
‘Talk to the hand.’
Het was een moment doodstil.
‘Wat zeg je tegen je vader?’ vroeg Anna die haar vork liet vallen. Ze bukte zich om hem op te rapen.
‘Jullie begrijpen niet eens wat ik zeg. Ik heb het trouwens niet tegen jou, mam. Ik heb het tegen hem. Moet ik het vertalen? Praat tegen mijn hand!’
‘Laat dat!’ riep haar moeder. ‘Je gaat te ver. Wat is dat voor uitdrukking? Je grieft niet alleen papa. Ook mij.’
Het meisje kwam overeind.
‘Ik ga weg. Ik wil niet langer met hem aan tafel. Hij is niet goed snik. Altijd zit hij naar me te loeren. Hij is helemaal geen vader. Hij is een sul. Een grote sul ben je. Ik kom hier nooit meer terug.”
p.214: “Henk Wielheesen moest nu ingrijpen en zeggen: hoe haal je het in je hoofd, zo tekeer te gaan. Neem die woorden terug. Vanaf nu gaat het anders. Wij moeten met elkaar praten. Die opmerking over het loeren neem je terug. Ja, ik kijk je soms na. Ik probeer te begrijpen wat er is misgegaan, wanneer er voor het eerst iets is misgegaan. Daar moeten toch antwoorden op te vinden zijn?
Maar uit een besef van aangeboren nietigheid, uit diepe angst over haar, had hij geen woord over zijn lippen kunnen krijgen. Zelfs al die mooie, bedachte zinnen had hij niet bedacht.
Zijn handen omklemden de stoelleuning.”

Het is Henk’ vierenzestigste verjaardag. Ze zijn bij Klugkist in het zonnetje gezet. Lichtelijk verwonderd, kijkt Anna daar met Henk pratend op terug.
p.271: “’Wat hebben ze je verwend. Wat hebben ze ons verwend. Op een bepaald moment stonden we bij elkaar als twee kinderen. Twee grote kinderen. Ik heb het begrepen dat Ruben het allemaal bedacht heeft.”​

Dick Gebuys

september 25
Jan Siebelink en de buurjongens

​Het debuut
Terwijl Jan Siebelink eigenlijk werkte aan de vertaling van A Rebours van J.K. Huysmans – de prins van de Franse decadentie  - voor Johan Polak van Uitgeverij Polak , schreef hij als zijn eigen debuut als schrijver de bundel ‘Nachtschade’  met daarin zijn allereerste verhaal, ‘Witte chrysanten’.
Waar de vader in ‘Knielen op een bed violen’ de vele vernederingen door de bloemenhandelaren in de buurt gelaten over zich heen laat komen, wordt in dit verhaal namens de zoon op die krentenkakkende hufters wraak genomen.
Jan Siebelink: “Ik trok met dat onrecht van de vernederingen van mijn vader aan. Dat moest ik in dit verhaal kwijt. Ik schreef het in één ruk, op mijn blocknoot in de keuken van het ouderlijk huis. Dat was op 1 september 1975.” Zodoende debuteerde Jan als schrijver bij De Bezige Bij, voor zijn vertaling van Huysmans uitkwam bij Polak, de uitgeverij die “geen levende schrijvers publiceerde. ”

Een nieuw boek
Nu dus een nieuw boek: ‘De Buurjongen’ . Het had ook ‘De Buurjongens’ kunnen heten, omdat het zowel over Henk Wielheesen als buurjongen van Ruben Sievez gaat, als over Ruben Sievez als buurjongen van Henk Wielheesen. 
Jan Siebelink: “Een goed verhaal moet je overkomen.” In 2015 was Margje verschenen. In 2016 de film naar Knielen op en bed violen . Er volgde toen een reeks ‘Meet&Greet’-bijeenkomsten met het filmpubliek.
“Ik herinner me zo een bijeenkomst in Naaldwijk, in De Naald. Met tuindersvrouwen. Ik kreeg daar een grote bak met plantjes. Daar ben ik mee terug naar huis gereisd. Met de trein. Ik was op toen, ik voelde heel veel vermoeidheid. Ik ben de volgende dag nog opgestaan, zoals altijd vroeg, om kwart over 6. Ik had net een nieuwe hond, een whippet, een puppy. Ik draaide een cd van Sarah Vaughan. En ik was blij dat ik niets hoefde te doen. Ik liet zelfs de ‘Trouw’ van die dag liggen. Ik had pijn in mijn voeten – ik bleek wintertenen te hebben…”
“Zelfs op mijn leeftijd kun je nog een soort van burn-out krijgen. Ik zag de boeken om me heen, ik voelde me niet echt ongelukkig. Ik aaide de hond, voelde zijn zachte huid. Dat beest moet iets gemerkt hebben, zintuiglijk is er goed contact tussen mens en dier. Dat is het dierlijke dat in de mens is overgebleven…”
En toch belandde Jan Siebelink weer achter het bureau, sloeg hij weer aan het schrijven.
Voor het eerst in al zijn verhalen en boeken had hij de eerste bladzijde ook meteen de eerste keer dat hij die schreef klaar, was die af. Hij was in vervoering van een nieuw verhaal.
Dat van die twee buurjongens, Henk en Ruben.

De sporen van het verhaal in de realiteit van alledag
Henk is een jongen zoals we die allemaal wel kennen – van de buitenkant dan. Zoals er ook in Ede, Jan Siebelinks woonplaats rondlopen. Een jongen die verstandelijk niet opgewassen is tegen de wereld en tegen zijn omgeving. Een jongen die geen remmingen kent, maar die wel door die wereld en door zijn omgeving geremd wordt. Een jongen met zijn eigen passies.
Siebelink wou zo’n jongen van binnenuit kunnen beschrijven: “In hem komen, is geluk.”
“Ik heb altijd veel aandacht gehad voor buitengewoon eenvoudige en gewone mensen. Die mensen wil ik graag bestuderen, bekijken. Zoals ik die ook in Ede zie rondlopen.”
Henk is dus een eenvoudige van geest.
“Misschien herken ik daar we iets in?! Ik lees dan wel boeken en schrijf die, maar ben ik daarmee echt een diepe denker?” In een ander interview gaat Siebelink wat die sporen naar zijn persoonlijk leven betreft verder: Jan heeft zich niet voor vol aangezien gevoeld, niet naar de juiste waarde die hij had geschat, toen hij als zoon van de bloemenkweker maar naar de MULO moest in plaats van naar het Gymnasium . Daar neemt hij dan in dit boek ook een beetje wraak op: buurjongen Ruben Sievez, de zoon van de bomenkweker, gaat wél naar het Gymnasium!
 
Siebelink wou zich in zo’n man of vrouw van die bepaalde soort inleven. Henk raakt in het boek ten prooi aan overdaad, overdrijft in veel dingen, kan dan niet meer stoppen.
“In dat opzicht lijkt hij ook wel op Hans Sievez in Knielen op een bed violen . Die gaat immers ook zijn eigen weg, ten koste van zichzelf . Weet je, al schrijvend, ben ik van die Henk gaan houden…”

Naast Henk staat Ruben. Hun relatie is heel intiem, af en toe echt lichamelijk. Ze kussen elkaar. “Maar daarmee wordt die band absoluut niet erotisch. Ook dat herken ik: ik ben totaal niet homoseksueel (Siebelink glimlacht) – de erotische gevoelens die ik heb hebben me nog genoeg problemen in het leven gegeven. Maar als mijn goede vriend Klaas Gubbels en ik elkaar zien, dan kussen we elkaar.”
Siebelink glimlacht opnieuw: “Het is toch een genade om dit te mogen beschrijven?! Dan moet je daarvoor toch verder een goede leven leiden?!”
Hij had ook naar voetbalwedstrijden kunnen kijken. Of Meester Eckhart  kunnen lezen. Maar zijn calvinistische inslag maakt dat hij zo’n boek schrijft.
Dick Gebuys

september 25
Jan Siebelink en de buurjongen

​Het debuut
Terwijl Jan Siebelink eigenlijk werkte aan de vertaling van A Rebours van J.K. Huysmans – de prins van de Franse decadentie  - voor Johan Polak van Uitgeverij Polak , schreef hij als zijn eigen debuut als schrijver de bundel ‘Nachtschade’  met daarin zijn allereerste verhaal, ‘Witte chrysanten’.
Waar de vader in ‘Knielen op een bed violen’ de vele vernederingen door de bloemenhandelaren in de buurt gelaten over zich heen laat komen, wordt in dit verhaal namens de zoon op die krentenkakkende hufters wraak genomen.
Jan Siebelink: “Ik trok met dat onrecht van de vernederingen van mijn vader aan. Dat moest ik in dit verhaal kwijt. Ik schreef het in één ruk, op mijn blocknoot in de keuken van het ouderlijk huis. Dat was op 1 september 1975.” Zodoende debuteerde Jan als schrijver bij De Bezige Bij, voor zijn vertaling van Huysmans uitkwam bij Polak, de uitgeverij die “geen levende schrijvers publiceerde.

Een nieuw boek
Nu dus een nieuw boek: ‘De Buurjongen’ . Het had ook ‘De Buurjongens’ kunnen heten, omdat het zowel over Henk Wielheesen als buurjongen van Ruben Sievez gaat, als over Ruben Sievez als buurjongen van Henk Wielheesen. 
Jan Siebelink: “Een goed verhaal moet je overkomen.” In 2015 was Margje verschenen. In 2016 de film naar Knielen op en bed violen . Er volgde toen een reeks ‘Meet&Greet’-bijeenkomsten met het filmpubliek.
Ik herinner me zo een bijeenkomst in Naaldwijk, in De Naald. Met tuindersvrouwen. Ik kreeg daar een grote bak met plantjes. Daar ben ik mee terug naar huis gereisd. Met de trein. Ik was op toen, ik voelde heel veel vermoeidheid. Ik ben de volgende dag nog opgestaan, zoals altijd vroeg, om kwart over 6. Ik had net een nieuwe hond, een whippet, een puppy. Ik draaide een cd van Sarah Vaughan. En ik was blij dat ik niets hoefde te doen. Ik liet zelfs de ‘Trouw’ van die dag liggen. Ik had pijn in mijn voeten – ik bleek wintertenen te hebben…
Zelfs op mijn leeftijd kun je nog een soort van burn-out krijgen. Ik zag de boeken om me heen, ik voelde me niet echt ongelukkig. Ik aaide de hond, voelde zijn zachte huid. Dat beest moet iets gemerkt hebben, zintuiglijk is er goed contact tussen mens en dier. Dat is het dierlijke dat in de mens is overgebleven…
En toch belandde Jan Siebelink weer achter het bureau, sloeg hij weer aan het schrijven.
Voor het eerst in al zijn verhalen en boeken had hij de eerste bladzijde ook meteen de eerste keer dat hij die schreef klaar, was die af. Hij was in vervoering van een nieuw verhaal.
Dat van die twee buurjongens, Henk en Ruben.

De sporen van het verhaal in de realiteit van alledag
Henk is een jongen zoals we die allemaal wel kennen – van de buitenkant dan. Zoals er ook in Ede, Jan Siebelinks woonplaats rondlopen. Een jongen die verstandelijk niet opgewassen is tegen de wereld en tegen zijn omgeving. Een jongen die geen remmingen kent, maar die wel door die wereld en door zijn omgeving geremd wordt. Een jongen met zijn eigen passies.
Siebelink wou zo’n jongen van binnenuit kunnen beschrijven: “In hem komen, is geluk.”
Ik heb altijd veel aandacht gehad voor buitengewoon eenvoudige en gewone mensen. Die mensen wil ik graag bestuderen, bekijken. Zoals ik die ook in Ede zie rondlopen.
Henk is dus een eenvoudige van geest.
Misschien herken ik daar we iets in?! Ik lees dan wel boeken en schrijf die, maar ben ik daarmee echt een diepe denker?” In een ander interview gaat Siebelink wat die sporen naar zijn persoonlijk leven betreft verder: Jan heeft zich niet voor vol aangezien gevoeld, niet naar de juiste waarde die hij had geschat, toen hij als zoon van de bloemenkweker maar naar de MULO moest in plaats van naar het Gymnasium . Daar neemt hij dan in dit boek ook een beetje wraak op: buurjongen Ruben Sievez, de zoon van de bomenkweker, gaat wél naar het Gymnasium!
 
Siebelink wou zich in zo’n man of vrouw van die bepaalde soort inleven. Henk raakt in het boek ten prooi aan overdaad, overdrijft in veel dingen, kan dan niet meer stoppen.
In dat opzicht lijkt hij ook wel op Hans Sievez in Knielen op een bed violen . Die gaat immers ook zijn eigen weg, ten koste van zichzelf . Weet je, al schrijvend, ben ik van die Henk gaan houden…

Naast Henk staat Ruben. Hun relatie is heel intiem, af en toe echt lichamelijk. Ze kussen elkaar. “Maar daarmee wordt die band absoluut niet erotisch. Ook dat herken ik: ik ben totaal niet homoseksueel (Siebelink glimlacht) – de erotische gevoelens die ik heb hebben me nog genoeg problemen in het leven gegeven. Maar als mijn goede vriend Klaas Gubbels en ik elkaar zien, dan kussen we elkaar.”
Siebelink glimlacht opnieuw: “Het is toch een genade om dit te mogen beschrijven?! Dan moet je daarvoor toch verder een goede leven leiden?!”
Hij had ook naar voetbalwedstrijden kunnen kijken. Of Meester Eckhart  kunnen lezen. Maar zijn calvinistische inslag maakt dat hij zo’n boek schrijft.
Dick Gebuys

september 21
Wolf Biermann in Keulen

Ik ga naar Wolf Biermann. Terug in Keulen…
De trein heeft er minder zin in. Mijn tijdschema is nochtans prachtig, ik kan die donderdagmiddag om kwart over 4 in de Domstad zijn. Kan ik nog lekker wat ronddwalen voor ik naar de Philharmonie ga.
Maar rustig lezend in de ICE in Aachen, verneem ik dat we over Rheydt zullen moeten omrijden, vanwege een ontspoorde goederentrein. Extra tijd: 60 minuten. Ik zal nu op zijn vroegst om kwart over 5 aankomen. Het wordt uiteindelijk kwart voor 6.
Dat wordt rennen naar mijn hotel. En dan weer terug. Klimmen naar de Dom en de Altstadt.

Om kwart over 7 eet ik een kop Gulasch-Suppe en drink ik mijn geliefde Apfelschorle in een café-restaurant aan de overkant van de Philharmonie. Voordat ik deze cultuurtempel met bonzend hart binnenloop dus. Het is een ander gebons dan vanmiddag door die ergernis in de trein. Ik ben nu op zoek naar Biermann. Ik loop in gespannen afwachting en ben tegelijk op zoek naar alle sporen van de echte Wolf.

Oké. Het gebeurde écht 40 jaar geleden. Toen Biermann hier in Köln optrad voor de arbeiders van IG Metall en andere belangstellenden. Ik ben erg over tijd. Het kan hoogstens een hoofdknikken der herkenning worden, of zoals mijn studiegenoot Ron van Hogen dat noemde een “Ja, so ist das auch-Erlebnis”  Bovendien heb ik de Meester al gezien en gehoord op die schitterene avond in Bamberg. Maar dat mag mijn genieten van deze avond toch niet geheel versjteren?
Wolf Biermann, het Zentral Quartet. Günter Baby Sommer op drums. Allemaal well and alive hier in Köln. En dan ook nog die mooie stem van Paméla… Ik sluit heel even mijn ogen als ze opgekomen zijn. En luister naar het eerste lied, een lied van Brecht. Dan volgt nog een lied van Brecht, Brechts Kinderhymne, antwoord op het volkslied van de DDR – een lied waar het volk uiteraard absoluut niets mee te maken had gehad en ook liever niets mee te maken wou hebben… Dat volkslied was geschreven door een dichter die het schoothondje was de leden van het toenmalige Politbureau, Johannes Becher . 

Auferstanden aus Ruinen
und der Zukunft zugewandt,
laß uns dir zum Guten dienen,
Deutschland, einig Vaterland.
Alte Not gilt es zu zwingen,
und wir zwingen sie vereint,
denn es muß uns doch gelingen,
daß die Sonne schön wie nie
über Deutschland scheint.

De tekst van de ‘Kinderhymne’ van Brecht luidt als volgt:

Anmut sparet nicht noch Mühe
Leidenschaft nicht noch Verstand
Daß ein gutes Deutschland blühe
Wie ein andres gutes Land.
Daß die Völker nicht erbleichen
Wie vor einer Räuberin
Sondern ihre Hände reichen
Uns wie andern Völkern hin.
Und nicht über und nicht unter
Andern Völkern wolln wir sein
Von der See bis zu den Alpen
Von der Oder bis zum Rhein.
Und weil wir dies Land verbessern
Lieben und beschirmen wir's
Und das Liebste mag's uns scheinen
So wie andern Völkern ihrs

Hoewel Biermann het vileine verloren heeft van die jaren van toen – behalve als hij over die jaren in de DDR en over dat valse communistische paradijs spreekt – kan hij toch nog heel mooie one-liners lanceren of opdiepen. Zoals deze: “Een slechte democratie is beter dan de beste dictatuur!”
We luisteren naar het lied van Reiner Kunze, waaruit ik al heb geciteerd:   
Dan komen we op de naderende verkiezingen en op wat verkiezingen in de DDR betekenden. Biermann leest een hoofdstuk daarover voor uit zijn memoires . Eenmaal was er een heel bijzondere stemming, die door middel van een referendum over een voorgenomen grondwetswijziging. Waar je normaal gesproken alleen maar ‘ja’ of ‘ja’ kon stemmen, want alleen maar vóór een kandidaat van de SED of de blokpartijen, mocht je nu dus ook ‘nee’ stemmen, dus tégen het voorstel. Maar alle leerlingen van middelbare scholen en hun leraren liepen natuurlijk over straat met vaandels voor de goede keuze: ‘ja’! Dus de bevolking werd opnieuw onder druk gezet om die goede keuze te maken.
Ik noteer nog een mooi citaat: “De mensen gaan kapot door de klappen die ze krijgen, maar nog meer door de klappen die ze uitgedeeld hebben!”
Dan komt mijn favoriete lied: ‘Als wir ans Ufer kamen’. Toen natuurlijk ook in een heel andere context geplaatst. Misschien dat Biermann daarom aan het eind van het lied een wegwerpgebaar maakt… Pamela vertelt dat dit op dit moment eigenlijk een mooi lied is voor de vluchtelingen van nu. En dat ze er trots op is dat Duitsland zoveel vluchtelingen heeft kunnen opvangen. Vluchtelingen die weg trokken uit landen in oorlog, waaruit ze helemaal niet weg zouden willen trekken:
Ich möchte am liebsten wegsein, und bleibe am Liebsten hier, am liebsten hier.
Oorlog, altijd is er maar weer ergens opnieuw oorlog:
“Soldat, soldat’
Soldat Soldat in grauer Norm
Soldat Soldat in Uniform
Soldat Soldat, ihr seid so viel
Soldat Soldat, das ist kein Spiel
Soldat Soldat, ich finde nicht
Soldat Soldat, dein Angesicht
Soldaten sehn sich alle gleich
Lebendig und als Leich
Soldat Soldat, wo geht das hin
Soldat Soldat, wo ist der Sinn
Soldat Soldat, im nächsten Krieg
Soldat Soldat, gibt es kein Sieg
Soldat, Soldat, die Welt ist jung
Soldat Soldat, so jung wie du
Die Welt hat einen tiefen Sprung
Soldat, am Rand stehst du

Soldat Soldat in grauer Norm
Soldat Soldat in Uniform
Soldat Soldat, ihr seid so viel
Soldat Soldat, das ist kein Spiel
Soldat Soldat, ich finde nicht
Soldat Soldat, dein Angesicht
Soldaten sehn sich alle gleich
Lebendig und als Leich

Ach ja, ‘Wann ist denn endlich Frieden’?

Wann ist denn endlich Frieden
In dieser irren Zeit?
Das große Waffenschmieden
Bringt nichts als großes Leid
Es blutet die Erde
Es weinen die Völker
Es hungern die Kinder
Es droht großer Tod
Es sind nicht die Ketten
Es sind nicht die Bomben
Es ist ja der Mensch
Es ist ja der Mensch
Es ist ja der Mensch
Der den Menschen bedroht
Es hungern die Kinder
Es droht großer Tod
Es sind nicht die Bomben
Es ist ja der Mensch
Der den Menschen bedroht
Die Welt ist so zerrissen
Und ist im Grund so klein
Wir werden sterben müssen
Dann kann wohl Friede sein  

Bij alles wat op aarde gebeurt, is de mens steeds het kwaad, is de mens de bedreiging.
Aber, lass dich nicht verbittern, in dieser bittren Zeit .
Wij laten alle woorden bij ons bezinken onder de magie van het heerlijke percussiewerk dat Baby Sommer ons brengt.
Om dat tenslotte die ene zin bij mij in mijn geheugen te laten etsen. Wat een prachtige, ware, universele zin. Met gelukkig nog dat vileine van de oude Biermann. Terwijl de meester nu zelf even uitrust, op de ellebogen steunend naast zijn vrouw, op de achterrand van de bühne.
Um Deutschland ist mir gar nicht bang
Die Einheit geht schon ihren Gang
unterm Milliardenregen
Wir werden schon verschieden nass
Weh tut die Freiheit und macht Spaß
Ein Fluch ist sie, ein Segen
Heimweh nach früher hab ik keins
nach alten Kümmernissen
Deutschland Deutschland ist wieder eins
nur ich bin noch zerrissen

Ik weet het, tijdgebonden, ervaringsgebonden. De tijd van de Wiedervereinigung, de ervaring van een donkerbruin en donkerrood, bloedrood verleden. En toch, en toch, en toch… ik herken dat gevoel… Want hoe groot je verlangen naar en je warmte voor verbondenheid, solidariteit en eenheid ook mag zijn, op een bepaald moment ga je te toch verscheurd voelen, door midden getrokken, door de aanhankelijkheid aan de ene en de andere partij, door de verbondenheid met de ene en de andere loyaliteit. Door je eigen gepassioneerdheid en tegelijk je eigen wankelmoedigheid.
Is een mens niet net zo evenwichtig als de tijd en de maatschappij waarin hij leeft? En zijn onze tijd en onze samenleving nu juist niet schoolvoorbeelden van onevenwichtigheid?

Ik schuif aan in de lange rij voor een handtekening. Ik heb twee cd’s van thuis meegenomen.
De cd met het Zentral Quartett die ook vanavond werd verkocht: ‘Paar eckige Runden drehn’ en die van Wolf en Pamela: ‘Ach, die erste Liebe’.
Maar waar ik in de liedteksten regelmatig met mijn neus op de harde feiten van ons leven werd gedrukt, lijk ik hier weer in de fakewereld van alledag te belanden. Voor mij staat namelijk een vrouw die meedraait in de voor mij niet meer te volgen trendmolen van een bril in de haren te dragen. Het is begonnen met de bril op het voorhoofd, als je geen brillenkoker of brilbretels had. In Viet Nam zag ik een man met de (zonne)bril geheel zoals dat hoort, met het montuur over de oren, maar dan wel op zijn achterhoofd… Maar deze vrouw die geen moment stil kan staan in de toch verder vrij rustig wachtende rij, heeft haar bril in de inmiddels zeer gewone stand, nl. als diadeem in de haren. Zinloos, nutteloos en lelijk, maar dat telt niet mee. Je doet immers wat je buurvrouw ook doet, toch?!
Der Wolf is weer klaarwakker en helder, maakt grappen en zwierige handtekeningen. Voor Dirk, van Wolf Biermann. Dirk heeft verlegen wat terug gemompeld. Dat hij dingen in het boek gelezen had en zo meer.
-    Ach, ja, ‘Die erste Liebe’… Toen waren we nog jong verliefden…
-    Ja, das weiß ich, das hab’ ich gelesen…
-    Maar wat zijn we nu…
Hij kijkt me aan. Is dat een heimweevolle blik? Of een romantische glimlach? Of bespeur ik een tikje ironie…
Ik dank hem. Ik loop stil de zaal uit. Ik wil een glas Kölsch drinken. Of wil ik naar het hotel. Verdammt noch mal… ja… zerrissen. En moe. Of, en dus moe?
Dick Gebuys

september 15
Le déserteur

​Het is de zomer van 1966 of 1967. Ik ben 12, 13 jaar. Wij kamperen op ´Vallée de l´Almache´, een kleine camping op de helling van dat dal van die rivier de Almache, in het Ardeense dorpje Porcheresse. Bij de familie Mergny.In de kleine ´cabane´ die vooraan de Camping staat is een soort barretje ingericht. Daar zitten we ´s avonds met de paar kampeerders van de camping en de kinderen van de familie samen. De ouderen onder ons drinken dan een biertje van het merk Haacht of (de vrouwen) een bubbelwijntje van La Bretonne. En er wordt gepraat en muziek gedraaid. Kleine plaatjes op een kleine pick-up. Ik herinner me die plaatjes niet echt meer, ik weet er nog maar één. Dat kennelijk indruk op me maakte en dat ik ook probeerde mee te zingen, met een jaar Frans op klas 5 van de Lagere School: Le Déserteur, van Les Sunlights. 
Voor ons Rotterdammers was die naam van de groep een beetje eigenaardig. Wij dachten bij het woord ‘sunlight’ echt niet aan zonlicht, wij dachten aan die groene zeep van de Unilever-zeepfabriek, ‘sunnig’-zeep zogezegd… Gek joh, dat die jongens hun groep naar die zeep hadden genoemd!
Het lied intrigeerde me nog meer door de wijze van uitvoering. Het begon met een stukje gesproken tekst:
Monsieur le Président
Je vous fais une lettre
Que vous lirez peut-être
Si vous avez le temps
Nou vond ik dat al iets aparts, zo’n stukje gesproken tekst, maar nog aparterder vond ik het, dat die tekst in twee talen gesproken werd – eerst in het Frans en daarna, zij het niet geweldig uitgesproken, dat kon ik toen zelfs al horen, in het Engels. Later zou ik ervaren dat de Fransen altijd problemen met het Engels hebben en dat zij deze taal vaak met grote afhoudendheid en soms zelfs weerzin hanteren. Maar ja, laten we eerlijk zijn: ik heb weleens een Amerikaanse president Frans horen spreken of Blondie waagt zich eraan in haar liedje ‘Denise, Denise’ en dat was nog erger!
Denis Denis, avec tes yeux si bleux
Denis Denis, moi j'ai flashe a nous deux
Denis Denis, un grand baiser d'éternité
Denis Denis, je suis si folle de toi
Denis Denis, oh embrasse-moi ce soir
Denis Denis, un grand baiser d'éternité
Tenminste, dat had ze moeten zingen, maar een knappe verstaander die haar dit ook echt hóórt doen!

Die Sunlights probeerden het dan tenminste nog. Dit was ook niet zo gek: hun liedje mocht uit de jaren ’50 komen, van de hand van Boris Vian en eigenlijk over de Franse Oorlog in Indochina gaan, het werd in die jaren ’60 natuurlijk gezongen naar aanleiding van die andere oorlog daar, met de Amerikanen. En die président des Etats-Unis die sprak inderdaad geen Frans, n’est-ce pas?!

Ik had dat op mijn klapstoeltje in Porcheresse natuurlijk nog niet allemaal door. Ik verstond een paar woorden van dat lied, vond het mooi, acapella gezongen en neuriede het een beetje mee. Elke volgende keer weer een beetje meer… Ineens herinner ik me nu trouwens ook andere plaatjes van daar en toen: ‘Un Mexicain’ van Les Compagnons de la Chanson en ‘La Mama’ van Charles Aznavour… die huilde of neuriede ik ook mee…tussen het praten en het verhalen vertellen van de volwassenen door en het knipogen naar Marie-Claire, de jongste dochter Mergny.

Later zou ik in Amsterdam ‘Le Déserteur’ beter gaan begrijpen. Mijn leraar Grieks in Rotterdam, Wim van Alkemade, werd mijn vriend in Amsterdam. Ik was gaan studeren aan de UvA, hij was gaan lesgeven aan het Spinoza-lyceum. En gaan wonen in een prachtige herenhuis aan de Stadhouderskade 148, een huis waar ik bijzondere herinneringen aan heb. Wim’s vrouw Françoise was Française. Ze kwam uit Parijs en gaf nu Franse les aan het Maison Descartes, het huis voor de Franse cultuur in Amsterdam. Als ik bij Wim en Françoise kwam eten – en dat was vaak, want Françoises keuken beviel mijn een stuk beter dan die blikken van mezelf en dat hoge-druk-pan-voer van de Mensa in de Damstraat of op het Singel – dan spraken we over cultuur, over Franse cultuur. Bijvoorbeeld over Boris Vian. Dus over zijn lied ‘Le Déserteur’:

Monsieur le Président,
je vous fais une lettre,
que vous lirez peut-être,
si vous avez le temps.

Je viens de recevoir
mes papiers militaires
pour partir à la guerre
avant mercredi soir.

Monsieur le Président
je ne veux pas le faire,
je ne suis pas sur terre
pour tuer de pauvres gens.

C'est pas pour vous fâcher,
il faut que je vous dise,
ma décision est prise,
je m'en vais déserter.

Depuis que je suis né,
j'ai vu mourir mon père,
j'ai vu partir mes frères,
et pleurer mes enfants.

Ma mère a tant souffert,
qu'elle est dedans sa tombe,
et se moque des bombes,
et se moque des vers.

Quand j'étais prisonnier
on m'a volé ma femme,
on m'a volé mon âme,
et tout mon cher passé.

Demain de bon matin,
je fermerai ma porte
au nez des années mortes
j'irai sur les chemins.

Je mendierai ma vie,
sur les routes de France,
de Bretagne en Provence,
et je crierai aux gens:

refusez d'obéir,
refusez de la faire,
n'allez pas à la guerre,
refusez de partir.

S'il faut donner son sang,
allez donner le vôtre,
vous êtes bon apôtre,
monsieur le Président.

Si vous me poursuivez
prévenez vos gendarmes
que je n'aurai pas d'armes
et qu'ils pourront tirer.
Boris Vian behoorde tot de culturele elite van de Rive Gauche. Maar er zijn na zijn dood discussies ontstaan of hij dit voor hem niet contre coeur gebeurde. Misschien was hij veel meer iemand van de Rive Droite, de andere oever van de Seine. Misschien hoorde hij wel helemaal niet bij die sfeer van rode wijn, coltruien, Juliette Gréco en Georges Brassens. In zijn prachtige satirische roman ‘L’écume des jours’ – die ik van Wim leende – spot hij met de blinde idolisering door al die jongeren met hun coltrui van mensen als Jean-Paul Sartre. Die grote ‘meester’ wordt bij hem Jean-Sol Partre. En zijn volgelingen komen bepaald niet als de grootste intellectuelen sinds Aristoteles voor de dag in dit boek. ‘Het schuim der dagen’ is een schitterende les voor ieder die zich snel door bepaalde figuren laat meeslepen en vervolgens met die mensen gaat dwepen. Zoals wij dat in de jaren ’60 al te makkelijk deden met Mau Zedung, met Castro, nog steeds een beetje met Sartre – de grootvader van de Revolutie in Mai ’68, met Noam Chomsky (en zijn ‘intellectueel in verzet’ ten aanzien van de Vietnamese oorlog) en bij ons met bijvoorbeeld Harry Mulisch.

Vian was een non-conformist. Die was té kritisch om maar ergens bij te willen horen. Hij was ook een man die zijn grote talenten op velerlei vlak wou ontplooien: hij schreef 11 romans, 4 dichtbundels, 400 chansons en ook nog filmscenario’s. Hij speelde regelmatig als trompettist in een jazzorkest in Tabou in de Rue Dauphine…
En hij stierf in feite de jonge heldendood die ook tijdgenoten als Albert Camus en James Dean stierven. Camus kwam op 4 januari 1960 om bij een mysterieus auto-ongeluk in Villeblevin. James Dean’s Porsche kwam op 30 september 1955 in frontale botsing met een tegenligger. Boris Vian had van jongs-af-aan een zwak hart, maar hij ging daar dwars tegen in. Hij werkte – getuige zijn formidabele literair productie voor iemand van 39 jaar – keihard. Ook zijn trompet bleef hij blazen terwijl iedere optreden dat hij daarmee deed in feite zijn dood zou versnellen. Zijn roman ‘J’irai cracher sur vos tombes’ werd voor film bewerkt. Hij was het met het scenario volstrekt niet eens, maar ging toch naar de première van de film, op de ochtend van 23 juni 1959. Vian had al in het openbaar laten weten dat zijn naam niet op de aftiteling mocht komen. Had hij zich over een en ander extra opgewonden? Enkele minuten na het begin van de voorstelling zakte hij in elk geval op zijn stoel in elkaar en hij overleed aan een hartaanval op weg naar het ziekenhuis.
Camus, Dean, Vian: angry young men, rebellen omdat de oude wereld hun niet beviel, omdat ze behoefte hadden om tegen de tradities en tegen het vermolmde gezag aan te botsen. Maar bovenal, rebel om het rebel willen zijn, rebels without a cause…
Mensen die ons jongeren wilden wakker schudden.
In ons land vertaalde de Rotterdamse troubadour Peter Blanker ‘Le déserteur’ in de jaren ’60 ook als protestlied tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam in het Nederlands. Het werd prompt in de Nederlandse kazernes – als immers immer een goede, trouwe Atlantische bondgenoot – verboden.
Mijnheer de President
'k Schrijf u een brief bij deze
Die u wellicht zult lezen
Hoewel u mij niet kent

Vanmorgen kwam de post
Mij met uw oproep wekken
Om naar het front te trekken
Als vechter uitgedost

Mijnheer, al bent u groot
U moet het mij vergeven
Maar ik schiet in dit leven
Geen arme and'ren dood

Al stelt het u teleur
'k Heb mijn besluit genomen
Niet naar het front te komen
Ik word een deserteur

Mijn vader stierf als held
Mijn broers zijn eens vertrokken
In fraaie wapenrokken
Ze sneuvelden in 't veld

Mijn moeder huilde lang
Nu ligt ze onder zoden
Daar kan geen bom haar doden
Daar is ze niet meer bang

Toen 'k krijgsgevangen zat
Heeft men mijn vrouw gestolen
Mijn hart, mijn trouw gestolen
En al wat ik bezat

Nu sluit ik morgenvroeg
De deur naar het verleden
'k Ga zwerven door het heden
Want zo is het genoeg

Ik trek van noord naar zuid
Ik trek door zon en regen
Ik loop de mensen tegen
En draag mijn boodschap uit

Negeer het kil bevel
En weiger om te strijden
En weiger om te lijden
Blijf uit die oorlogshel

Mijnheer de President
Waarom ons bloed te vragen
Ga zelf uw leven wagen
Als u zo moedig bent

Nee, ik draag geen geweer
Geef opdracht aan uw heren
Mij niet te arresteren
Knal mij gewoon maar neer    

Gek, als je de naam Peter Blanker hoort, denken de meeste mensen meteen aan ‘’t Is moeilijk bescheiden te blijven’… Dit is een tekst, waarom je niet bescheiden zou hoeven blijven. Een tekst om voor altijd in onze herinnering te dragen. Een tekst, die helaas altijd actueel blijft.
Ik heb het Serge Reggiani horen zingen, op een mooie lenteavond in Vredenburg, Utrecht. Na een goed glas whisky dat geduldig op de piano wachtte op consumptie.
Ik ging ook naar een optreden van Mouloudji, op een zondagmiddag in Parijs. Vlak bij het Hotel des Invalides. Het is zo’n bijzondere ervaring de levensblije stem van Mouloudji te horen schuren tegen de bittere inhoud van dit lied. Maar dat optreden van Mouloudji bleek er een te zijn voor een Instituut van Blinden. Ik schaamde me, daarbij te staan. Ik durfde niet mee te gaan luisteren. En kijken. En droop stiekem af, de trap af, het metrostation in en naar de trein van het Gare du Nord. De woorden en de stem van Vian in mijn hoofd bij het wegrijden van de trein. Ik had een elpee met zijn uitvoering van dit lied gekocht. En voor de kracht van zijn woorden, kun je doof noch blind zijn… 

Als we nog niet bij die ‘cabane’ zaten, liep ik weleens door het dorp. Naar de boerderij van Mergny. Voor een koffie van het houtfornuis en een glimlach van Marie-Claire. En dan weer terug. In de bocht die naar de camping liep vanaf de Rue de Chenai – de hoofdstraat van het dorp en de straat van de boerderij – zag ik eens de oude vader Jules Mergny stilstaan met zijn brommer. Daar achter die bomen woonde geloof ik zijn vriend René, die man met dat slappe alpino-petje die hij altijd Poupou noemde. Een snoepnaam die ook de wielrenner Raymond Poulidor had, als afkorting van zijn achternaam, met een verdubbeling van die eerste lettergreep. Eén pou is ook een luis. Maar daar zal het wel niets mee te maken gehad hebben.
Mergny zette zijn hand aan zijn mond.
- Pou!!! riep hij.
- Poupou!!! klonk het vanachter de bomen.
Mergny glimlachte en reed weer door.
Er was oorlog in die wereld van toen. Maar ver weg. Wie wist daar behalve de Sunlights iets van in dat stille, stoffige dorpje aan de Almache?
 
De luizen van het geweld zijn nu in de pels van onze samenleving gekropen. Hebben die uit haar evenwicht gebracht.
Poux!!!
Pouxpoux!!!
Laat je gedachten niet op hol slaan. Maak een alle oorlogsdaden. Ook verblinde IS-strijders. En hun bestrijders. Oh, ben jij een rebel with a cause?
Pou… Pou pou… dan toch the wrong cause zeker. Want een goed cause is er niet, als je mensenlevens en zoveel meer vernietigt. Reinig de geest, al is het dan niet met sunlight-zeep. Hef op dat hoofd. Open de ogen, laat de gedachten vrijelijk stromen, geniet. Geniet van het zonlicht op de weide vol bloemen. Luister naar de stilte van de natuur!
et je crierai aux gens:
refusez d'obéir,
refusez de la faire,
n'allez pas à la guerre,
refusez de partir.
Dick Gebuys

augustus 28
Voorstelling de Mensheid

​Enkele V5-leerlingen bezochten in hun vakantie de theatervoorstelling ‘De Mensheid’.

Op uitnodiging van Arnon Grunberg zijn de V5-leerlingen Eva, Leandro en Yang Mei met hun docent Nederlands in de zomervakantie naar de theatervoorstelling 'De Mensheid' met Arnon Grunberg (schrijver), Josse de Pauw (toneelspeler), Claron McFadden (zangeres) en Kris Defoort (pianist) in theater Heerlen geweest. 

De voorstelling, soms wat experimenteel, was een compleet nieuwe ervaring voor de leerlingen. De strekking en aanleiding van het stuk was het pamflet 'De mensheid zij geprezen' van Grunberg: 'Mensen zijn smeerlappen en varkens en lafaards, maar ze kunnen daar niets aan doen. Ze zitten zo in elkaar.' In het stuk werd deze stelling verdedigd en aangevallen.
 
Na afloop had de schrijver nog tijd om wat met het gezelschap te drinken, hij was oprecht geïnteresseerd in de leerlingen en aangenaam verrast dat zij in hun vakantie met hun docent naar het theater wilden.

Minder enthousiast was hij over zijn hotel, waar hij zeer amusant over vertelde en 26 augustus over schreef in zijn dagelijkse column in De Volkskrant:



 













Wellicht komt er dit schooljaar nog een kans op een ‘meet and greet’ voor de leerlingen die ook mee hadden gewild, maar vanwege hun vakantieplannen niet mee konden gaan...afwachten of de planning van deze zeer druk bezette schrijver dit toelaat.
Lianne Schuppert

juli 12
Camilla Läckberg in Antwerpen I

​Vorig jaar -op 8 mei- was Camilla Läckberg te gast bij de Standaard Boekhandel België (met medewerking van de uitgever Veen, Bosch en Keuning Belgium (VBK) – waaronder ook imprints vallen als Ambo en Anthos) , in het Zalencentrum bij Hotel Elzenveld  in Antwerpen.Läckberg is meermaals om haar werk bekroond: in 2005 was zij de Zweedse schrijver van het jaar, in 2006 kreeg haar laatstverschenen boek de publieksprijs en in 2011 was zij de best verkochte Zweedse schrijver. In Nederland en Vlaanderen samen werden tot nog toe 550.000 exemplaren verkocht van haar in onze taal vertaalde boeken. En vanavond komt daar weer een honderdtal bij! 
Er hangt in de sfeervolle zaal een gezellige spanning, voor de schrijfster opkomt. Achter me praten twee vrouwen op hun eigen manier over de boeken die zij van de schrijfster gelezen hebben. Over hoe de films heel anders zijn die van Läckbergs boeken gemaakt worden. Dat die voor de vrouw die het vertelt en die kennelijk ook het meest van de schrijfster weet, weinig met die boeken te maken hebben.
- Wat geschreven is, is veel mooier!
En dan gaat het over misdaadromans op zich. Dat je die in Vlaanderen ook hebt, maar dat dit heel andere misdaadromans zijn, omdat nu eenmaal…
Het wordt niet helemaal uitgesproken, zoals veel in dit gesprek niet helemaal uitgesproken wordt. Nou ja, soms toch…
- Ze heeft economie gestudeerd hè… en ze schijnt er erg goed in te zijn haar boeken te promoten. Dat zie je wel…
Ik lees al heel lang als ik zin in ontspanning heb misdaadromans. Dat begon al in mijn jeugd, met boeken van Francis Durbridge over Paul Vlaanderen of van Leslie Charteris, over Th Saint en van Georges Simenon over Commissaris Maigret. Later werd ik fan van Jef Geeraerts met zijn heel eigen stijl van misdaadroman, beginnen met Kodiak.58. En nu zijn het Luc Deflo, Arnaldur Indridason en Camilla Läckberg, die ik in ieder nieuw boek dat ze schrijven probeer bij te houden. Misdaadroman kunnen nog zo gruwelijk zijn in de misdaad die of in het plot dat ze beschrijven, ze bieden mij als lezer ook een heerlijk moment van relax.
Als een misdaadroman gewone mensen presenteert in een buitengewone situatie, dan geldt dit zeker voor de hoofdpersonen bij Camilla Läckberg – de rechercheur Patrik Hedström en de schrijfster Erica Falck. Leuk om haar daar vanavond eens zelf over te horen, moderator is John Vervoort, die regelmatig misdaadromans bespreekt voor de Standaard. Of hij ook het werk van Läckberg goed kent, zal mij vanavond niet duidelijk worden, meestal bespreekt hij een aspect van een boek aan de hand van de flaptekst. Tenminste, hij pakt dan een boek erbij en werpt daar een blik op, op die achterflap. Leerlingen die bij mij hun mondeling examen literatuur erg slecht voorbereiden komen voor veel boeken ook niet veel verder…

Camilla Läckberg werd geboren in Fjallbäcka, in het noordwesten van Zweden. Fjallbäcka hoort tot de gemeente Tanum, waarvan Tanumshede de hoofdplaats is. Deze stadjes liggen in het landschap van Bohuslän. Fjallbäcka is ook het stadje waar of waaromheen zich de boeken met Patrik en Erica zich afspelen. Het is een mooi, leuk stadje volgens de schrijfster, met 1000 inwoners. Ze heeft er nog familie wonen, neven en nichten en bracht er 17 jaar van haar leven door.
-           Dat was een traditioneel, veilig leven. Het was dus fijn te mogen opgroeien. Iedereen kende er iedereen. Je kon er van 8 tot 8 buiten zijn, want je voelde je als kind erg veilig. Maar als teenager vond ik het nìet leuk meer. Toen wou ik er weg.
-          Ik had dus een veilige, misschien ietwat saaie jeugd. Op mijn 7e las ik Agatha Christie, op mijn 10e Edgar Allan Poe. Misschien zouden mensen mij nu in verband met die boeken eng vinden… met 2 ex-mannen… Maar goed, ze leven nog… Zou ik ze in de tuin kunnen begraven? Nee, dat zou teveel opvallen…
-          Nu is daar een Camilla Läckberg wandeling in Fjallbäcka. Ik ben eens met één van die wandelingen meegegaan. Lasse – mijn vroegere zeilleraar – was de gids. Op een bepaald moment vertelde hij waar in één van de boeken het lijk had gelegen. Ik was het niet met hem eens, ik wees aan waar dat lijk volgens mij had gelegen. Maar hij bleef bij zijn plek voor het lijk… Ik zeg toen: maar ik ben de schrijfster, zou ik dan niet weten waar dat lijk lag?
Maar hoe vinden ze dat dan, in dat stadje? Is het een waar beeld dat haar boeken geven? Is het niet te negatief?
-          Ze zijn gek op mijn boeken. Ik breng nu mensen uit de hele wereld in Fjallbäcka. Ik krijg zelfs mails met tips als: “Bij mij in de tuin kan nog wel een lijk…”
Haar moeder woont er nog.
-      Mijn moeder is een bijzonder type. Ze is nu met pensioen en ze heeft dus tijd over. Soms zijn er dan mensen die komen bij de dienst voor toerisme en vragen: “Is Camilla daar?”. “Nee,” wordt er dan geantwoord, “maar we kunnen haar moeder bellen…” Ze is trots op het werk van haar dochter.
Camilla heeft altijd erg graag geschreven.
-      Mijn eerste verhaal schreef ik toen ik 5 jaar was. Ik was al vroeg gegrepen door de donkere kant van de mens, door de misdaad. Mijn vader en moeder hielpen me in die tijd met het opschrijven van mijn verhaaltjes. Mijn eerste boek Santa (= Santa Claus) schreef ik toen ik 5 jaar was. Het waren vier bladzijden, met een oranje kaft. Het ging over Santa Claus en een vrouw en het begon vrij gelukkig, maar vier bladzijden verder lag er ineens een vrouw dood op de vloer. Inderdaad, die fascinatie begon dus vroeg. Mijn leeftijdgenoten waren met heel andere dingen bezig…
-      Wij hebben in Scandinavië lange, strenge winters. Misschien staan we daardoor wel extra open voor misdaadverhalen. Sjöwall en Wahlöo is immers ook hier ontstaan. Ik vond het vroeger heerlijk om die boeken te lezen. Je kunt het vergelijken met onze grote tennisspelers, die komen misschien ook wel door die lange winters… hoe kan het anders dat hier spelers als Björn Borg en Thomas Edberg vandaan komen. 
Maar toch ging Camilla niet meteen iets met schrijven doen, ze ging economie studeren:
- Ik vroeg me af, of je van het boeken schrijven wel kon leven. Dus begon ik maar aan een van de vervelendste studies – ik ga vanavond iedereen hier beledigen, ik weet het. Want daar kon je wel een goede baan mee vinden. Maar al gaf die studie me alle kennis van de economie van Zweden en van Europa, zij gaf me het meest ongelukkige gevoel dat ik ooit gehad had.
-    Een vriendin en haar man schreven me toen in voor een cursus schrijven en daar kwam de IJsprinses uit voort
Wat was het idee achter dat boek?
- Het idee was – zoals vaak bij mij – een foto, een beeld, een moment. Een vrouw die in het ijs in een badkuip lag…
- Die schrijfcursus had bij mij een opwinding losgemaakt en een energie opgeroepen, die moeilijk meer in te tomen bleek. Maar om echt tot een versie van mijn eerste boek te komen, dat ik geschikt vond voor uitgave, was wel een marteling. Het deed me vooral wat mijn zelfvertrouwen betreft in een crisis belanden. Bovendien vond dit tegelijk plaats met de zwangerschap van mijn eerste kind, Wille – hij is nu bijna dertien.
- Ik had het boek voor wat mij betreft af in de week van de bevalling. Toen kon ik het insturen. Dat boek toen in de brievenbus stoppen was voor mij een hele rituele handeling… Dat gebeurde in de zomer van 2002… dit was het moment waar alles om draaide: nu zou ik mijn jeugddroom kunnen verwezenlijken of ik zou hem moeten opgeven…
- Ik kreeg toen een heel snelle reactie van een kleine uitgever waar ik het boek ook naartoe had gestuurd. En vijf dagen later had ik een zoon. Maar ik weet niet waar ik meer verheugd over was: want ik had ook een eigen ISNB-nummer…Dat besef maakte zo’n ongelofelijke indruk op me…
- Mijn eerste druk kreeg 3000 exemplaren. Dat betekende een goed debuut. Maar ja, ik wilde ervan kunnen leven. Ik besefte dat ik een literair agent nodig had om dat te bereiken… Ik was niet goed genoeg in het verkopen van mezelf, met een agent zou dat beter lukken. Dus ik vroeg toen de agent van Lisa Marklund of hij ook mijn agent zou willen zijn. En dat betekende eigenlijk de werkelijke start van mijn carrière. Van mijn tweede boek verkocht ik 30.000 exemplaren in de eerste druk. Van mijn derde 60.000, van mijn vierde 100.000 en nu bedraagt een eerste druk 300.000 exemplaren. Mijn werk wordt in 55 landen verkocht en het is in 37 talen vertaald. Ook in Zuid-Korea en Japan haal ik vast het onderste in de mensen naar boven, want ook daar zijn de reacties enthousiast. Ik heb inmiddels een garage vol met mijn boeken, ook de vertaalde versies ervan.
- Steenhouwer werd ook vertaald in het Pools en het Fins… ik verbaas me dan over het verschil in dikte tussen die boeken en de Zweedse versie. Ik denk dan: waar blijven die bladzijdes in de vertaling van de ene naar de andere taal?
- Toch zijn de verschillen niet zo groot hoor, als je de opmerkingen in Zuid-Korea over de rol van de plaats Fjallbäcka neemt, dan zijn de commentaren niet anders dan die hier. En de vragen ook.
De moderator heeft weer een erg relevante vraag bedacht, zonder vingerwijzing op de achterflap.
“Had je ooit een Nederlands vriendje?”
- Nee, maar ik weet wel hoe je “Ik hou van jou” zegt…
“In de IJsprinses wordt dus dat lijk in de badkuip gevonden… hoe is het om daarover te schrijven”?
- Het verhaal eist soms nu eenmaal weerzinwekkende dingen van je. Maar mij fascineren die ook…
“Wat staat er allemaal op het lijstje van dingen die je nog wilt doen?”
- Ik wil nog naar Hawaii, naar één van de bodyfarms die de FBI heeft. Waar je op een wetenschappelijke wijze lijken leert bestuderen en identificeren. Daar is een heel team aan forensische specialisten die expert zijn in de studie van lijken.
“Waar liggen je grenzen van wat je wel en niet wilt in je boeken?”
       -     Ik wil niet veel kinderen in mijn verhalen als slachtoffer. Want ik heb ook de grootste
             angst voor mijn eigen kinderen, dat hun iets zal kunnen overkomen. En seks wil ik ook
             niet, want mijn moeder leest mijn boeken. Mijn vriendin schrijft van die chicklit-
             boeken. En haar stiefmoeder schrapt de bladzijden met seks uit die boeken, voordat 
             haar vader ze leest. Dan heb ik liever een mooie moord in mijn romans…

“Heb je ook een boodschap in wat je schrijft, voor de samenleving of voor de politiek?”
       -     Ik vind dat schrijvers dat in Zweden een beetje teveel moesten hebben, en daar doe
             ik dus niet aan mee. Het kan best zijn dat er een bedoeling verstopt zit in mij boeken,
             maar daar gaat het me niet om. Voor mij is het vermaken van de lezer genoeg. 
       -     Ik heb natuurlijk wel persoonlijke ideeën, ik heb ook mijn kijk op de wereld, die ik in
             mijn boeken verwerk, maar het is aan de lezer om uit te maken wat ze daar mee
             doen. Ik heb daar geen verborgen agenda mee…
Dick Gebuys

juni 21
Roger Moreno en de lange reis

​-    Ja ik noem hem altijd Roger, maar eigenlijk heet hij als Sinti Roser… Hoe je dat schrijft, weet ik ook niet precies. Cor Bekker van Herberg de Pintelier en ik werken aan een volgend programma in zijn zaak. Op gezellige avonden heeft Cor in zijn vroegere restaurantje op het OL-Vrouweplein in Maastricht vaak met Roger Moreno gewerkt. Roger is een Sinto. Voor de gemiddelde Nederlander: Roger is zigeuner. Roger maakt de muziek die mensen willen. Die past bij de avond die er is. Want met zijn accordeon kan hij, met zijn zuivere muzikaal gehoor, alle kanten uit.

Die ochtenden in de Pintelier, ‘Voerendaal op Zondag’ met deelname van Roger en zijn buikorgel, zijn het begin van onze kennismaking. Dat is nu alweer vele jaren geleden. En het is altijd door de sfeer die hij mee brengt, een beetje feest om met hem te werken.

Voor de beste sfeer hoort daar een mooie vrouwenstem bij. Jarenlang was dat de Poolse Barbara. Opgevoed in een erg anti-Zigeuner wereld, maar toch met hem op pad, door Europa. Met haar wat hese, wat melancholieke stem, die herinneringen opriep aan de jaren ’30, aan Zarah Leader en de Berlijnse cabarets van die dagen. En ook in Sinti-liedjes, in Sinti-taal. Later werd zijn partner – ook op de bühne – Pyroschka, uit Stolberg. Een echte Sinto, met een frisse, vrolijke vertolking van de oude en nieuwe liederen. Met soms dan nog een viool erbij, een gitaar en natuurlijk altijd Janusch Hallema, op bas.

Ze stonden zo vaker in De Pintelier, ik nam hen mee naar het Theater in Landgraaf, naar de Pauluskerk in Rotterdam, naar Theater Lexor in Heerlen. Kortom, ik nam hen mee op een hele reis door het land. Zoals Roger in die tijd een programma had gemaakt, over de lange reis die de Sinti en Roma met hun instrumenten over de wereld had gevoerd, door de hele geschiedenis van de muziek. Vanuit het verre India, via twee onderscheiden lijnen om vervolgens vanuit het Oosten en het Zuiden Europa in te trekken. De Sinti via Egypte en de Magreb-landen in 1300, 1400 naar Spanje om vandaar naar het Westen van Europa te gaan, de Roma via Roemenië en Bulgarije om vele jaren later in onze gebieden te belanden. Toen nog zoals de traditie dat vroeg: met het paard, de wagen en de hele familie.
Natuurlijk kende ik ook de andere kijk op deze mensen.
Ik was ooit bij Martin Mooij van Poetry International, in Capelle-Schollevaar. Wat werd daar in die buurt toen gezegd?
- Ramen en deuren dicht, er zijn zigeuners gesignaleerd!
Ik zag op televisie de opschudding die ‘Zigeunerkoning’ Koko Petalo telkens weer in de media wist te veroorzaken. Ik las in de krant over de problemen rond de rekeningen voor het slijpen door hem van scharen en messen.

En ik merkte hoe vrienden en bekenden reageerden als Roger een etablissement binnen kwam, zonder accordeon.
Het is een maandagmiddag. Herberg de Pintelier. 5 uur. Tijd om bij elkaar te komen, zoals ik iedere maandag al lang doe, met een stamtafeltje van twee, drie vrienden. Maar ik had Roger ook gevraagd. Om vijf uur kwam hij binnen. Die vrienden iets later. Roger en ik zaten aan de echte Stammtisch waar we iedere maandag rond plaatsnamen. Die vrienden gingen nu aan de bar zitten. Af en toe schuin en scheef omkijkend naar ons.
- Ja, we wilden jullie niet storen…
Ons storen bij het drinken van een glas bier?
Was het omdat Roger zijn accordeon niet droeg, at hij nu als een soort potentiële zakkenroller werd gezien? Diezelfde mensen die gisteren nog breed lachend en druk kletsend bij hem hadden gestaan konden er nu nog maar net toe komen hun hand naar hem op te steken.
dWát was dat?
Hem wel vertrouwen in die eeuwenoude rol van muzikant. Maar niet gewoon, als gezelschap?
Hoe kon dat?
Die op het oog zo gewone mensen, waar niets op leek aan te merken?!

Ik heb me vaak afgevraagd wat nu in diepste zin het probleem kan zijn dat de maatschappij met Sinti en Roma heeft. Ik denk dat het komt door het probleem dat zij al direct met onze maatschappij hebben. Het is die van hen niet. De regels waaraan die samenleving hen onderwerpt zijn die van hen niet, komen niet uit hun cultuur, dwingen het in een positie die ze niet willen.
Die twee werelden botsen al eeuwen met elkaar en zullen vast ook blijven botsen. En dan accepteren we uit een soort zucht naar romantiek en exotisme wel hun muziek, maar niet het feit dat zij anders naar de werkelijkheid kijken. Het is toch immers ónze werkelijkheid?! Dus is die kijk van hen niet zomaar anders, nee die is minder ontwikkeld. Derhalve moeten zij inburgeren, zich aanpassen, assimileren.

En daar willen we ver in gaan, in die druk tot assimileren, in het afnemen van de eigen cultuur. In het verbod tot rondtrekken, in het ter illustratie daarvan vastschroeven van de woonwagens aan een betonnen vloer. In het ons onttrekken aan iedere dialoog.
Ja goed, er kwam een Instituut voor Roma en Sinti, dat moest werken aan het eerherstel van oorlogsgetroffenen aan hun kant. Maar dat werd natuurlijk bemand door niet-Roma en niet-Sinti. Want wie kon nou denken dat zij over zichzelf en hun eigen lot zouden kunnen nadenken?! Met hun mooiste masker van idealisme en menslievendheid opgezet, gaven PvdA-prominenten Joop Worell en Hans Ouwerkerk vanuit dit inmiddels door henzelf opgeheven instituut een mooie uitleg van wat die kreet ook alweer betekent ‘Links lullen, rechts vullen’. Nee, waar en hoe dat geld besteed moest worden, dat konden de mannen aan het roer goed bedenken hoor… Verantwoorde geldbesteding, snap je…
Ik citeer een bron van internet: “In twee jaar tijd gaf het NISR zo'n 2,5 miljoen euro uit, zegt de journalist. "Het geld ging naar bestuurskosten, huur, vergoedingen, communicatieprojecten en ook culturele en onderwijsprojecten." Voorzitter Worrell gunde volgens deze journalist Rijken zijn schoonzoon communicatieklussen voor het NISR ter waarde van ruim 57.000 euro.” Maar natuurlijk was dit alles absoluut verantwoord, dat snapt u hopelijk toch ook wel?!

Het kan nog erger hoor, die maatschappelijke druk van de meerderheidscultuur om al het eigene van je af te leggen. Wie wil weten hoeveel erger, moet maar naar ‘Kinder der Landstrasse’ kijken. Tussen 1926 en 1973, werden in Zwitserland kinderen van ‘zigeuners’ bij hun ouders weggehaald. De einddoelstelling van die deportatiepolitiek was klip en klaar, om dat rondtrekkende en in woonwagens wonende ‘zigeunervolk’ als minderheid te doen verdwijnen. De families werden kapot gemaakt, het werd hun onmogelijk gemaakt om op de oude, van hun voorouders geleerde manier te leven, de kinderen werden dus vaak bij andere ouders in bewaring gegeven, mensen werden in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst en mannen werden gedwongen zich te laten steriliseren.
En dat stelen van kinderen van hun ouders, gebeurde natuurlijk steeds 'met de beste bedoeling’, met andere woorden voor het heil van de jeugd oftewel ‘pro juventute’.
 
Roger Moreno werkt op dit moment aan een opera geïnspireerd op het verhaal van die film van Urs Egger, naar een draaiboek van Johannes Bösiger. Roger verkeerde jarenlang in het ongewisse over zijn  Sinti-afkomst. Pas na het zien van deze film, die op hem een verpletterende indruk maakte, begon hij te beseffen met welk doel zijn moeder dit geheim wellicht gedragen had.

Requiem voor Auschwitz
Samen met Zoni Weisz in Auschwitz
aan die plas
regendruppels uit vele jaren neergedruppeld.
De herinneringen aan wie hebben ze daar achtergelaten?
De levens van wie schuilen in dat water?
Al die levens van Roma en Sinti,
weggestopt in het lekke geheugen van Europa,
verborgen in de verminkte geschiedenis van de oorlog.

De Holocaust die het Nazi-bewind in Duitsland op de Sinti en Roma uitvoerde was natuurlijk nog  vele graden erger. Dit was niet alleen psychische, mentale moord, dit was echte, brute moord die in een dagelijkse praktijk werd omgezet.
Op 3 mei 2012, zie ik op tv de documentaire ‘De vergeten Holocaust’. Ik zie Roger met Zoni Weisz in Auschwitz. Ik zie hen samen bij een plas staan. Die plas achterin het kamp, op de bodem waarvan alle as ligt van alle vermoorde gevangenen. Ze kijken beiden hoe die plas de onthutsende werkelijkheid van toen weerspiegelt. Zoni heeft de Holocaust overleefd, Zoni sprak in de Duitse Bondsdag. Roger heeft nu na een lange strijd, zijn getuigenis van de massamoord op Sinti, Roma, Joden en alle andere slachtoffers van de nazi’s en hun trawanten af. Zijn ‘Requiem voor Auschwitz’.
Ik herinner me mijn eigen bezoek aan Auschwitz en Auschwitz-Birkenau. De onthutste aanblik van die idiote spreuk op de poort ‘Arbeit macht frei’. Die navrant aanvoelende serene rust op het terrein. De verstokte ademhaling bij het betreden van de gaskamer. Het verdriet en de boosheid bij de aanblik van die gestolen haren, gebitten, menselijke dingen in een onmenselijke situatie…
Het onbegrip van mij dat mijn vrouw toen niet verder wou lopen. Niet verder kon lopen. Haar boosheid en verdriet dat ik haar niet begreep.

Roger zet al die ellende en die pijn van toen, die rouw en dat collectieve verdriet van zoveel later om in een schitterende compositie. Het deed mij heel veel, om hem bij de première ervan te mogen zien zitten. Weet je wat gek is? In mijn herinnering zie ik hem zitten  naast onze koninklijke familie, Naast Koningin Beatrix. Bescheiden zoals ik hem ken, maar ook heel duidelijk trots. En dat was ik ook, trots op hem. Maar hij zat helemaal niet naast Beatrix… Die was er niet! En hij was vooral ontroerd… Zo zie je hoe gevoelens en gedachten je geheugen kunnen inkleuren.
Jij hebt ze in ere hersteld,
een monument gegeven.
In muziek heb je hun naam laten weerklinken.
Daar in de Nieuwe Kerk in Amsterdam,
op 4 mei 2012,
in het hart van het land,
ook hun land,
stonden Roma en Sinti,
terecht trots op wie ze waren,
op wie ze waren geweest.
Door die onvergetelijke klanken
van die ene Sinto,
die jongen uit het kamp in Vaals,
die hiermee zelf zijn hele lange reis
had voltooid. 

Dies Irae. De toorn die de ene mens in de kop kreeg en waarmee hij de andere afslachtte. De toorn om wat die mens aan kwaads vermag te doen. Wie in Auschwitz rondloopt voelt angst. Angst voor de gesel der geschiedenis. Voor de brute waarheid over de gruwelen die de mens de mens kan aandoen. Angst om alles wat de waarheid brengt, openbaart, losmaakt.
Misschien was het ook die angst die mijn vrouw toen voelde.
Roger brengt een eresaluut aan allen die omkwamen in de Holocaust. Hij doet ons ook terugdenken aan de opstand van de Roma en Sinti in Auschwitz. De Nederlandse Sinti en Roma arriveerden in het kamp op 21 mei 1944. In de zomer kwamen er een half miljoen Joden uit Hongarije bij. Er ontstond ruimtegebrek. De Roma en Sinti kwamen in opstand, maar die opstand werd verraden en door de Duitse nazi-beulen de kop ingedrukt. De Roma en Sinti die nog leken te kunnen werken, werden naar munitiefabrieken gedeporteerd. In de nacht van 1 op 2 augustus werden de overige 3000 vergast, onder wie de 213 Nederlandse volksgenoten. Eén van hen was Settela Steinbach, het meisje in de trein, dat we kennen om de foutieve aanduiding “Joods meisje op weg naar de vernietigingskampen.”  
Roger toont de overlevingskracht van zijn volk. Tegen alle onderdrukking in. Tegen die eeuwige onderdrukking in. Om uiteindelijk echt bevrijd te worden: libera me.
Maar Roger temt met zijn muziek ook die angst die we voelen. Bj deze gruwelijke herinnering. Maar ook in het onrustige heden. Hij leert ons die angst te vertalen in hoop. Hij hoopt dat wij voortaan beter zullen weten. Om met zijn allen in volle vrijheid te kunnen leven. In echte libertate.
Dick Gebuys

juni 15
Trip to Berlin

​Day 4
Today, we went back to the school to finish our presentation about energy and eventually present it. After that we got the task we got the task to note the pros and cons of the school task. When that was finished we got some vanilla icecream and we had to wait for about 1 and a half hours because the teachers evaluating the process. When they were finally done we went to the metro stations and on our way to the hotel we made a quick stop at Checkpoint Charlie, followed by free time for the rest of the day.
Giuliano, Gies, Wiebe

All photos can be found in our Facebook album>

Day 3
Today we went to the German school to work on the project. We decided to make a presentation so we did some research. After that we went to the Berlin wall. It was quite interesting to see the wall in real life. We got lots of information about the building of the wall and the dangers surrounding it.
Luuk

Day 2
We were asked to write about some highlights of day 2. First of al we would like to start with how the day started. We had breakfast at 7.15, which was very early. After, we went to meet the kids from the German school and together we went to a brown coal mining site. It was an adventure to walk on the machine, some thought it was scary and some found it amazing. When we finished walking we had a little picknick and went back to the hotel and got some free time to eat or to explore the city. It was a lovely and adventurous day.
Bo, Demy, Fenne, Zia, Ilona and Soraya

Day 1
In the afternoon, we went on a small trip around Berlin. Mister Theunissen led us around the city and told us some interesting things about certain places and their history. In the evening, we went to the Reichstag. We got to see the architecture on the outside and on the inside, as well as the old walls and writings that were kept in between the modern parts. We also went on top of the Reichstag to see the buildings that lay around and to walk up to the top of the dome of the Reichstag.
Jenna

mei 29
Bij de dood van Joyce Bloem

Het was in het ABP-Gebouw in Heerlen dat ik het beeldend werk van Joyce Bloem leerde kennen. Op een plek in de stad waar zij in 1951 ter wereld was gekomen. Daar tegen het decor van gamelan-muziek genoot ik van kunst die mij uit mijn comfort-zone haalde. Al bestond dat woord toen geloof ik nog niet.
Het was ook toen dat ik Joyce pas een beetje echt leerde kennen: een bijzondere vrouw die midden in de wereld stond, in de wereld vol culturen en ideeën waarvan zij vooral de rijkdom wou proeven. Haar Indische roots waaruit ze putte – de wereld van haar vader, haar moeder, haar voorouders, van het Indische verhaal, het Gelderse Rivierenland waar ze haar atelier had – de ruimtelijke vlakken, de landschappen, het eeuwig doorstromende en voortlevende water, de leerlingen op de Academie die haar inspireerden, die hele wijde wereld die zij wou begrijpen en verbinden. Deze wereld waarvan zij hield. Waarin zij geen Vreemdeling wou zijn. Waarin zij de lege ruimtes wou vullen. Die zij tot haar thuis wou maken. De wereld die ze in zich wou opnemen en waarin ze opgenomen wenste te worden.



Vreemdeling


‘Er heerst de stilte van niet thuis zijn
een verlies vergroot
wat achter is gelaten

Ik geef jou een plaats in mijn tuin
tussen de bloeiende jasmijn
woont een groot dier
dat martelt voor zijn plezier
wij genieten samen
van dit adembenemend tafereel

Ruimte is ingenomen
anders, verkeerd?
Ik vraag je maar of je wilt blijven
en mijn vreemdzijn jou overmeesteren zal

Ik maak een beeld van wie ik liefheb
kijk, de harde kleigrond onder onze voeten
verandert in een modderige vlek
wij gaan samen de leegte mooi opvullen
bepaal ik de plaats van het adres op de enveloppe
en waar ik jouw postzegel plak.

Joyce inspireerde. Daagde uit om steeds verder te willen denken dan je dat tot dan toe gewoon was. Van haar leerde ik dat het denken over het leven en de werkelijkheid en daarmee omgaan in kunst en literatuur een neverending process is. En dat daarbij ook de elementen, de natuur op ons blijven inwerken: het licht, de bodem, het landschap – in al hun variëteiten. Van Joyce leerde ik dat echt leven in deze wereld vol diversiteit een leven is vol ontmoetingen en bruggen bouwen.

Joyce en ik hadden elkaar een tijd  niet gezien, toen zij in 2011 kwam meewerken aan een dag rond die culturele diversiteit, die ik in de Pauluskerk in Rotterdam had georganiseerd.
Die middag ging Joyce op de eerste verdieping aan het werk met een groepje bezoekers die hun oorsprong over een groot deel van onze aardbol vonden. Zij konden zich bij haar in woord en beeld uiten over hun eigen ervaringen – uit hun jeugd, uit hun trek over de wereld, uit hun verblijf hier in Rotterdam.
De sfeer was lichtelijk gespannen die dag. Twee dagen ervoor was een dakloze, statusloze immigrant hier voor de deur door het lint gegaan, omdat hij door getoond wangedrag niet meer naar binnen mocht. Hij had de ruiten met bruut geweld aan diggelen geslagen. Er waren nu planken voor geslagen. De bezoekers toonden angst, misschien ook een licht spoortje begrip voor zijn woede.
Maar Joyce pakte deze mensen mee en pakte hun ondersteboven gegooide gevoelens op. Dat leverde schitterende, aangrijpende, ontroerende resultaten op. Die zij samen later die dag aan ons kwamen presenteren.
Joyce en ik hadden intussen zelf ook al het een en ander meegemaakt. Geleerd hoe het in onze samenleving, dus ook in het onderwijs waarin wij werkten, niet altijd ging om de gedrevenheid en betrokkenheid waarmee je je inzette, om de kennis van het vak, maar meer om je meegaandheid met het beleid, om je gladde tong of gladde rug en je talent op een bepaalde manier te netwerken… We spraken over de pijn die dat had opgeleverd, over de wonden die we meedroegen. En uiteindelijk vertelde Joyce ook over de ernstige lichamelijke ziekte die haar getroffen had.

Met blauwe stenen

met blauwe stenen
dans je morgen de tango
in je lege handen vinden zij emplooi
de bakkebaarden van de mannen zonder vrouwen
zij spelen de dans voor in hun hoofd
zij steken van buiten naar binnen

iedere avond wil zij hem tegenkomen
de wind beweegt zachtjes het tafellaken

ik vraag me af wat er omgaat in haar
zij ligt maar in de nacht zonder licht

in de rij mevrouw, in de rij als iedereen
mijn ogen zijn hier
laat hem mijn ogen verbinden        

Sindsdien onderhielden wij druk facebook-contact. Als geen ander, reageerde Joyce op de dingen die ik deed en stimuleerde ze mij daarin. Al die herinneringen daaraan, aan haar warme woorden, ontroeren me nu ik dit schrijf. Twee dagen na het bericht van haar dood.

Onvoorstelbaar was ook Joyce haar levenslust, haar dynamiek, haar voortdurend voortgaande vulkaan van poëtische gedachten, beelden en regels. Haar optimisme.
In Rotterdam kreeg ik van haar het mooie boek Sawah Belanda. Het boek over het boeken-monument in een sawah-landschap in het Park Sacré-Coeur, gelegen tegenover het complex Bronbeek aan de Velperweg in Arnhem. Een schepping van Joyce en Marion Bloem. Zeven granieten pagina’s die daar rondom het rijstveld-landschap zweven.
In februari appte ik Joyce hoe ik daar met de bus vanaf Arnhem-Centraal kon komen. Die uitleg heb ik nog, maar helaas kwam het er toen toch niet van mijn goede plannen te verwezenlijken. Ik schaam me daarvoor. Ik ga erheen. Ik beloof het. En dan zal ik merken, hoezeer de woorden, de gedachten en beelden van Joyce, voor eeuwig zullen voortleven.

Ontmoeting

Ben ik je in een vorig leven tegengekomen
of weet ik zeker dat ik je ontmoeten zal
in een ander bestaan
‘Hé’ zeg je dan, met een ander gezicht
ander lichaam herken ik je niet

Voel me doorstroomd van een licht – energie
als de dag voorbij is, blijven in het donker
om een glimp op te vangen    

(de gedichten komen uit: Joyce Bloem, Een onmogelijk personage – gedichten; uitgegeven in een gewone versie en in een van honderd genummerde exemplaren met zeefdrukken, door Ravenberg Pers, Oosterbeek, 1990; verder noemde ik Sawah Belanda, een boek als monument van Marion Bloem en Joyce Bloem ea.; Pictures Publishers, Wijk en Aalburg, 2006)
Dick Gebuys

1 - 10Volgende